Het eerste boek van de Psalmen werd geschreven door David. Het tweede deel begint met een serie gebeden en liederen van de kinderen van Korach. Psalm 42 is misschien wel een van de bekendste.
De zonen van Korach waren lid van het tempelkoor. Misschien moet je bij de naam Korach gelijk denken aan de opstand tegen Mozes in de woestijn. Samen met de familie van Datan en Abiram leverde hij felle kritiek op de leiding van Mozes. “We zijn toch allemaal heiligen, niet alleen jij!”, hadden ze gezegd. “Wie ben jij dat jij je opwerpt als onze leider.” Mozes had de kwestie bij de Heere neergelegd en God had de opstandelingen laten verzwelgen door de aarde (Numeri 16). Maar in Numeri 26, een verslag van de tweede telling van de Israëlieten, wordt de opstand ook vermeld maar wordt gezegd dat de Heere de zonen van Korach gespaard had (vers 11).
De beroemde Joodse Bijbelgeleerde Rashi verklaart dat zij halverwege de opstand tot inkeer gekomen waren. God had hen uit de geopende aarde gered en dat niet alleen, de Heilige Geest was op hen gevallen en zij hadden geprofeteerd over het lot van de ballingen van Israël, over de toekomstige tempel en het komende koningshuis van David. In die traditie staan de dichters in het tweede deel van de Psalmen.
Volgens sommigen werd de psalm geschreven voor de tweede dag van het Loofhuttenfeest. Op die dag droeg men een gouden kruik met water vanuit de bron Siloam naar de tempel, als ritueel bij de gebeden om regen in het najaar. Het valt inderdaad op hoe vaak water in Psalm 42 genoemd wordt. Maar Psalm 42 vormt ook een eenheid met Psalm 43. We zien de zinnen en refreinen van Psalm 42 terug in Psalm 43, waaronder het telkens terugkerende: “Wat buigt gij u neder o mijn ziel, en zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, mijn Verlosser en mijn God.”
“De dichter heeft het idee dat hij er helemaal alleen voor staat. Voor zijn gevoel is God ook verdwenen. En dat is wat zijn vijanden hem ook de hele tijd inprenten.”
Waar is Hij dan?
Als we de psalm doorlezen wordt wel duidelijk dat voor het gevoel van de dichter alles om hem heen donker is. Hij vertelt dat hij zelfs een rouwgewaad heeft aangetrokken. Hij gaat in het zwart vanwege de onderdrukking van zijn vijanden. Alle vreugde is uit zijn leven weggetrokken. Hij heeft het idee dat hij er helemaal alleen voor staat. Voor zijn gevoel is God verdwenen. En dat is wat zijn vijanden hem ook de hele tijd inprenten: Waar is uw God? Dat is ook een refrein dat telkens terugkeert. Waar is Hij dan? Zijn tegenstanders spotten met hem en met zijn vertrouwen op de Heere. Je merkt toch helemaal niets van God!? In het begin van Psalm 43 zegt de dichter dat het mensen zijn zonder godsvrucht, zonder eerbied voor God. Ze zwelgen in hun bedrog en onrecht. En ze doen zo omdat ze ervan overtuigd zijn dat God zich toch niet laat zien, als Hij er al is.
Misschien dat u of jij er iets van herkent. We maken niet de makkelijkste tijden mee. Onze tegenstanders geloven niet in de God van Israël. Zij geloven de leugen en spotten met het Joodse volk. Ze doen ons af als een stel orthodoxe malloten die buiten de werkelijkheid staan. Ze betichten ons van dingen die de haters van Israël bedacht hebben en wat alleen mensen zonder godsvrucht geloven en ze azen op onze verdwijning.
Waar is uw God? Het is misschien wel het duistere midden van de psalm.
Gelijk een hert dat naar water smacht
Maar daaromheen vinden we andere woorden en zinnen. De dichter vertelt dat hij smacht naar God, zoals een hert naar water kan verlangen. De oude berijming vertelt over een hert dat nog maar net aan de jacht ontkomen is. Buiten adem snakt de hinde naar de frisse waterstromen. En zo omschrijft de dichter zijn diepe verlangen naar God. Weet je, soms vind ik verlangen zelfs een mooier woord dan geloven. Zijn verlangen drijft als het ware een opening in het donker om hem heen.
“God is voor zijn gevoel wel verdwenen maar Hij is niet weg en Hij is niet anders geworden. En dat wekt zijn hoop en die hoop bereikt zijn doel.”
Hij geeft woorden aan zijn verlatenheid. Dat is het tweede wat opvalt. Maar daarin zoekt hij de nabijheid van God. Hij spreekt niet over Hem, zoals zijn vijanden, maar tot Hem. “Tot mijn God. Waarom vergeet U mij? Waarom verstoot U mij? Waarom doet U niets! Mijn God, Mijn rots, mijn toevlucht.”
Het derde is dat zijn gedachten teruggaan naar ooit. Ooit was het anders. Ooit ging hij in een feestvierende menigte naar Gods huis. Hij ging zelfs voorop. Het kan dus anders, want het was anders. Hij zegt dat hij God gedenkt. En dat is meer dan een vage herinnering. Met gedenken haal je als het ware het verleden binnen in het heden.
En dan valt het woord hoop.
Hoop op God
Ik denk dat hoop het mooiste woord is van de psalm. Het is ook geen ijdele hoop, omdat God betrouwbaar is. De Heere is trouw. Hij is Een. Hij is niet de ene keer zus en de andere keer zo. Hoe Hij vroeger was en wat de dichter gedenkt is niet veranderd. God is voor zijn gevoel wel verdwenen maar Hij is niet weg en Hij is niet anders geworden. En dat wekt zijn hoop en die hoop bereikt zijn doel. Bereikt God. Eerbiedig vraagt hij om Gods licht in het donker en Gods waarheid in het midden van de leugens.
Wat blijdschap smaakt mijn ziel
Nog niet zo lang geleden werd ik met deze zin wakker. Dat heb je wel eens. “Wat blijdschap smaakt mijn ziel, als ik mij voor U kniel in het huis dat Gij U hebt gesticht.” Ik zou die week een preek voorbereiden over blijdschap en die woorden kwamen bij mij binnen. Ik heb ze opgezocht met mijn telefoon en ik ontdekte dat het woorden waren uit Psalm 43, uit de oude berijming. Ik had ze jaren niet meer gelezen of gezongen.
Maar het mooie is, dat het de psalmist daarom gaat. Het gaat hem niet in de eerste plaats om zijn eigen heil of de verandering van zijn eigen situatie. Maar het gaat hem om het doven van de leugens van zijn haters. Het gaat hem om God zelf. Het gaat hem om te kunnen verschijnen voor Zijn aangezicht. En dat is leerzaam.
“Slechts één keer valt de naam JHWH, de mooiste en hoogste van Gods namen. Om die werkelijkheid cirkelt ons geloof, ook in de benauwdheid.”
Als ik denk aan de situatie van onze beweging, dat mensen ons willen verbieden om kinderen van Israël die in de Oude Stad van Jeruzalem of in Shilo of op de berg van de vloek en de zegen wonen, te zegenen en te helpen. Als mensen het glas met hun Franse wijntjes zouden heffen op de dag dat we verdwenen zijn, dan moet het ons gaan om God. Om God zelf. Om Zijn Naam, om wat voor Hem kostbaar is. Het gaat niet om onze organisatie, maar Hij is het voorwerp van onze liefde en toewijding en op Hem hopen wij.
De psalm als een gedicht
Wat opvalt in de poëzie van de psalm is dat 21 keer de naam van God genoemd wordt (3 x 7). 17 keer als Elohim en 4 maal als El.
Slechts één keer valt de naam JHWH, de mooiste en hoogste van Gods namen. En dat is in vers 9. En dat is tevens het hart van Psalm 42 en 43. Om die werkelijkheid cirkelt ons geloof, ook in de benauwdheid:
“Des daags zal JHWH zijn goedertierenheid gebieden. En des nachts zal zijn lied bij mij zijn. Een gebed tot de God van mijn leven.”