We gaan het derde boek van de Psalmen binnen en slaan ditmaal Psalm 77 open, een gebed van Asaf: "Mijn stem is tot God en ik roep!"
Een van de dingen die ik zo mooi aan de Psalmen vind, is dat ze spreken over de pijn van het lijden en hoe je God daarin voor je gevoel kunt missen. De rauwe werkelijkheid waarin een mens soms terecht kan komen, wordt niet op een vrome manier dichtgesmeerd. De Psalmen komen zo in elke situatie dichtbij. En dan te bedenken dat het woorden van God zijn. Hij geeft ons deze gebeden, we hebben ze niet zelf bedacht.
In de oude berijming van deze psalm wordt de boodschap van het lied prachtig onder woorden gebracht in het zevende vers. Ik ken de woorden uit mijn hoofd en ik zal niet de enige zijn: “K zal gedenken, hoe voor dezen, ons de Heer heeft gunst bewezen. ‘K Zal de wonderen gadeslaan die Gij hebt van ouds gedaan […] en in plaats van bitt’re klacht, daarvan spreken dag en nacht!”
Bittere klacht
Dit gebed van Asaf is een bittere klacht! Ik weet niet wat zijn situatie is. Is hij ernstig ziek, heeft hij grote zorgen in zijn leven, financiële zorgen misschien? Staan mensen hem misschien naar het leven? Hij zegt het niet. Gaat het misschien niet alleen om zijn eigen leven, maar zijn leven als onderdeel van Israël? Is Israël in nood? Het zal de eerste keer niet zijn.
Maar laten we wat dichter naar de psalm toegaan. Soms glijdt bidden af naar mediteren. Dan rijgen onze gedachten zich aaneen en hebben we het alleen nog maar over God en over onszelf. Dan worden gebeden kleine preekjes. Iedereen heeft daar wel eens last van, denk ik. Zeker dominees. En dat is bij Asaf ook zo. Hij begint wel te zeggen dat hij tot God roept, maar hij doet het niet. Tenminste niet in het eerste deel van de psalm. Wat nogmaals opvalt, is dat hij niet ingaat op de concrete dingen waar hij aan lijdt, hij worstelt vooral om de vraag waar God blijft.
“De omslag komt door die ene waarheid waaraan Asaf zich vastklampt: de Allerhoogste verandert niet.”
Indrukwekkend is het: Mijn ziel weigert zich (door vrome ingevingen) te laten troosten, zegt hij. Als ik aan God denk, dan kreun ik. Ik denk aan de tijd dat het anders was. Ik kon als dichter mooie liederen bedenken bij mijn snarenspel, maar nu niet. Ik vraag me verbijsterd af waarom God niets doet. Hij heeft een heleboel belooft, maar ik zie er niets van. Heeft de Heere Zijn beloften misschien ingetrokken? Is Hij ermee gestopt om zich over ons te bekommeren? Heeft Hij ons verstoten? Is Hij vergeten om mij, om ons genadig te zijn? Het is zo stil daarboven! De Bewaarder van Israël sluimert toch niet en slaapt toch niet, of wel?
En dat kun je dus zingen, voor jezelf, in de kerkdienst met anderen, als het gaat om wat het Joodse volk overkomt. Er wordt helemaal niets verzwegen en weggemoffeld. De Bijbel is zo eerlijk!
Maar om op het bidden terug te komen: Asaf worstelt wel met de aanwezigheid van God, maar in de eerste verzen heeft hij eigenlijk maar één keer rechtstreeks tot God gesproken. In vers 5 zegt hij: “U houdt mijn ogen open!” Met andere woorden: U zorgt er in Uw zwijgen, in Uw nietsdoen, voor dat ik lig te woelen in bed en de slaap niet kan vatten. Ook dat is eerlijk. Het is niet heel beleefd, maar wel eerlijk. Even laat Asaf de Heere rechtstreeks in zijn hart kijken.
De omslag
En dan volgt er toch een omslag. Preken wordt spreken tot God. En die omslag komt door die ene waarheid waaraan Asaf zich vastklampt: de Allerhoogste verandert niet. Dat is onmogelijk. Met andere woorden: Hij is Eén, Hij is JHWH; niet de ene keer zus en de andere keer zo. Hij is: ‘IK ben die IK ben.’
“En dat is leerzaam: in het lijden je ogen richten op God.”
En dan gaan zijn gedachten terug naar de grote wonderen in de geschiedenis van Israël. Die noemt hij voor het aangezicht van God. Hij daalt met God af in de grote redding uit Egypte: de exodus. En steeds weer zal de Bijbel daarop terugkomen. Hier bij Asaf, maar ook wanneer het gaat om de ballingschap in Babel: God zal Zijn volk opnieuw bevrijden. Ook wanneer het gaat om de weg die Jezus gaat, spreken Mozes en Elia op de berg letterlijk met Hem over Zijn exodus. En ook nu geldt: “Gij hebt Uw volk met machtige arm verlost”, en de arm van God verandert niet! (vers 11 en 16). Het gaat ook over de doortocht door de Schelfzee, letterlijk door de ‘zee van het einde’, wanneer Israël met de rug tegen de muur staat. “De wateren zagen U, zij sidderden” (vers 17). “De aarde sidderde en beefde. Uw weg was in de zee!” (vers 19-20).
En het belangrijkste is dus dat Asaf niet langer alleen over God spreekt, maar nu ook tot Hem spreekt. Zo begon hij zijn gebed, en nu doet hij het eindelijk weer. Zin voor zin: U, U, Uw volk, Uw grote daden. En dat is leerzaam: in het lijden je ogen richten op God. Je zou kunnen zeggen dat dit voor Asaf letterlijk een daad van bekering is.
De structuur van Psalm 77
In het Hebreeuws heeft de psalm de vorm van een menora. Er zijn zeven strofen, met verzen die bij elkaar horen: 2-4, 5-7, 8-10, 11-13, 14-16, 17-19 en 20-21. De middelste strofe, de verzen 11-13, vormt het hart van de psalm. Daar vindt ook de omslag plaats, met als middelste zin: “Ik zal de daden des Heeren gedenken.” In deze zin wordt ook de naam van de Heere genoemd: JHWH. Dat is de enige plaats in het gebed waar Zijn naam wordt genoemd, zij het in verkorte vorm. In het midden van de psalm wordt God de Allerhoogste genoemd, een erenaam die benadrukt dat Hij in de geschiedenis bewijst boven alle andere goden en machten verheven te zijn.
“In het midden van de psalm wordt God de Allerhoogste genoemd, een erenaam die benadrukt dat Hij in de geschiedenis bewijst boven alle andere goden en machten verheven te zijn.”
Een open einde?
Psalm 77 lijkt een open einde te hebben. We weten niet wat er verder gebeurt, hoe en wanneer Asaf verhoord wordt en of zijn situatie, of die van Israël in zijn dagen, verandert. We weten ook niet wanneer God opnieuw bewijst dat Hij de God van de exodus is. Asaf eindigt met de woorden dat God Zijn volk leidde als een kudde, door de hand van Mozes en Aäron.
Maar de psalm loopt als het ware door in Psalm 78, een leerdicht van Asaf waarin de dichter ingaat op de rijke geschiedenis van God met Israël. Opmerkelijk is dat deze psalm op een vergelijkbare manier eindigt als Psalm 77. Nu gaat het over koning David, die de kudde van Israël met een kundige hand leidde.
En misschien moeten we hierdoorheen ook zien op de Messias. Er komt een dag waarop Jezus met Zijn discipelen het Meer van Galilea op vaart. Dan steekt er een storm op en slaan de golven over de rand van de boot. En Jezus slaapt. Zijn discipelen schreeuwen Hem wakker en roepen dat ze vergaan. Jezus bestraft de wilde wateren en de storm gaat geschrokken liggen. Een andere evangelist vertelt iets soortgelijks en laat zien hoe Jezus over de wateren wandelt. Ook van Hem geldt: Zijn weg was in de zee.