Wie nadenkt over de betekenis van het volk Israël in de Bijbel kan niet om Romeinen 9 tot en met 11 heen. In deze hoofdstukken gaat de apostel Paulus uitvoerig in op de positie van Israël na de komst van Christus. Maar eigenlijk is dat, als je goed leest, het doorlopende thema van de brief aan de Romeinen. De rode draad is de plaats van Israël en de volken in Gods heilsplan. De gemeente van volgelingen van Jezus mag een plaats zijn waar Israël en de volken met elkaar verzoend zijn en elkaar ontmoeten (vgl. ook Efeziërs 2:13-16).
In Romeinen 9 begint Paulus met een opsomming van wat vaak de voorrechten van Israël genoemd wordt. Persoonlijk spreek ik overigens liever over de beloften en de roeping van Israël, omdat het in Romeinen 3 al ging over het voorrecht van de Jood. Maar dat brengt mij dan meteen bij het eerste wat opvalt: zij zijn Israëlieten, zegt Paulus. Datzelfde woord gebruikt hij ook in 2 Korintiërs 11:22, en dat zijn meteen de twee enige plaatsen waar het in de Bijbel voorkomt.
“De rode draad van de brief aan de Romeinen is de plaats van Israël en de volken in Gods heilsplan.”
Doorgaans vind je zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament de Hebreeuwse uitdrukking ‘kinderen van Israël’. Maar het is duidelijk dat Paulus hetzelfde bedoelt, namelijk het volk Israël naar zijn Bijbelse wortels en zijn eigen zelf-verstaan (in 2 Korintiërs 11 staat het parallel met de aanduiding Hebreeën). De naam ‘Joden’ als term voor het hele volk werd in Paulus’ tijd alleen door niet-Joden gebruikt.
Wie de Israëlieten zijn maakt Paulus in het vervolg van hoofdstuk 9 duidelijk: de twaalf stammen, nakomelingen van Abraham, Isaak en Jakob. Zij zullen niet verloren gaan. God zal heel Israël bewaren (Romeinen 11:26).
Deze serie over de voorrechten van Israël verscheen eerder in onze maandkrant Israël Aktueel. Klik hier om gratis abonnee te worden!