Afgelopen week kreeg ik een mail met de vraag of ik familie kende van een meneer X, omdat men op zoek was naar zijn nazaten, in verband met het leggen van Stolpersteine. Ik ken meneer X; hij is helaas dementerend, dus probeerde ik op een andere manier erachter te komen wie zijn familie was. Daarbij kwam ik een gedeelte van zijn stamboom tegen.
Bij veel van zijn directe en indirecte familieleden stond het woord vermoord, met daarachter een jaartal tussen 1940 en 1945. Ik schrok daarvan en het kostte me uren om weer rustig te worden.
Ik ben opgevoed en grootgebracht, net als zovelen van mijn generatie, met de Tweede Wereldoorlog. Ik ken de nummers op de armen van ooms en tantes. Als klein kind begreep ik ze niet; toen ik wat ouder was, werd het me uitgelegd. En weer wat ouder keek ik er altijd met verbazing naar. Ook al ben ik nu op een leeftijd waarop ik het zou moeten kunnen begrijpen en bevatten, het is nog steeds onmogelijk.
Daarom kwam die stamboom zo enorm hard binnen. We proberen ons voor te stellen wat er in die afschuwelijke, gruwelijke jaren is gebeurd, maar eigenlijk is dat onmogelijk. Het was een regime dat onwaarschijnlijk punctueel, precies en vreselijk was.
Helpt zo’n Internationale Holocaust Herdenking als morgen?
Ja, want we mogen nooit vergeten wat er is gebeurd, om te kunnen omgaan met alles wat er nu in onze tijd plaatsvindt.
Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.
Leo Vroman (1915–2014), uit: Uit slaapwandelen, Querido, Amsterdam, 1957.