Wat is het groen. Geen paar voorzichtige sprietjes hier en daar, maar echt groen. Als een dik, levend tapijt dat zich over de aarde heeft uitgerold. Alsof de natuur heeft besloten geen halve maatregelen te nemen. Door zon en regen veranderde de grond bij de ingang van ons dorp in korte tijd in een weelderige, groene vlakte.
Dat klinkt niet bijzonder. Maar dat is het wel.
Anderhalf jaar geleden brandde een groot gedeelte van het bos, ooit aangelegd door het Joods Nationaal Fonds (JNF), af door neerkomende raketten vanuit Libanon. Ook het groen en de bomen bij de ingang werden meegenomen en verzwolgen door het vuur. Wat overbleef, was zwart en bruin. Verkoolde stammen, as, stilte. Het was pijnlijk om te zien hoe iets wat zo vanzelfsprekend leek, schaduw, de geur van dennen, het ruisen van bladeren, in één klap kon verdwijnen.
Maar vandaag zag ik iets anders.
Tussen de verbrande bomen is de aarde niet langer kaal. Ze is bedekt met fris, helder groen. Geen kwetsbare uitlopers, maar een volle laag nieuw leven die zich krachtig heeft verspreid.
“Het was pijnlijk om te zien hoe iets wat zo vanzelfsprekend leek in één klap kon verdwijnen.”
Even dacht ik: onkruid. Dat woord dat we zo achteloos gebruiken. Van Dale noemt onkruid “ongewenste planten tussen gekweekte gewassen”. Ongewenst. Alsof de natuur zich aan onze plannen moet houden.
Ooit vertelde een boswachter mij dat onkruid niet bestaat. “Het is onderdeel van de natuur. Trek je het uit, dan verstoor je het evenwicht onder de grond. En dat evenwicht bepaalt wat er boven de grond groeit.” Sindsdien kijk ik er anders naar.
Dit groene, net ontluikende ‘onkruid’ bij de ingang is geen verstoring. Het is herstel. Het is de zon en de regen die samen hun werk doen. Het is de aarde die weigert zwart te blijven. Het is een stille maar krachtige herinnering: leven vindt altijd een weg.