17 tammoez is een van de vastendagen op de Joodse kalender. Er wordt gevast tussen zonsopgang en zonsondergang (het is dus geen volledige vastendag).
17 tammoez is het begin van een periode van drie weken die uitloopt op 9 av, de vastendag vanwege de verwoesting van zowel de eerste als de tweede tempel. Op de drie sabbatten in deze periode worden gedeelten uit de profeten Jesaja en Jeremia gelezen die het oordeel over Israël en de verwoesting van de tempel aankondigen. De dagen tussen 17 tammoez en 9 av zijn een periode van treuren en inkeer. Na 9 av volgen vier sabbatten waarop Israël troost ontvangt uit de profeten. De lezing op de eerste sabbat na 9 av is uit Jesaja 40: “Troost, troost Mijn volk!”
17 tammoez was de dag waarop de Romeinen een bres sloegen in de stadsmuren van Jeruzalem, wat uiteindelijk zou leiden tot de ondergang van stad en tempel. In 586 v.Chr. hadden de Babyloniërs hetzelfde gedaan op de ‘negende van de vierde maand’ (2 Koningen 25:3 en Jeremia 52:6). Een maand later verbrandden zij de tempel, het paleis en “alle huizen van de aanzienlijken”. De vierde maand is de maand tammoez.
“De boodschap van de vasten- en treurdagen is dat God wacht op het berouw van Zijn volk en zich juist op die dagen barmhartig betoont.”
De Joodse traditie verbindt nog meer gebeurtenissen met 17 tammoez. Het was de dag waarop Mozes de stenen tafelen stuksloeg toen hij zag dat de Israëlieten zondigden met het gouden kalf (Exodus 32). Het is ook de dag waarop volgens de overlevering tijdens het Babylonische beleg het dagelijkse offer ophield omdat er geen offerdieren meer waren. Een zekere Apostomos (ofwel een Griekse soldaat ten tijde van de Griekse overheersing ofwel een Romeinse officier) verbrandde op 17 tammoez een Thorarol. Ten slotte werd er op 17 tammoez een afgodsbeeld in de tempel geplaatst, volgens sommigen door diezelfde Apostomos en volgens anderen door koning Manasse.
In Zacharia 8:19 wordt geprofeteerd dat de vasten in de vierde, vijfde, zevende en tiende maand voor het huis van Juda zullen worden tot vreugde, blijdschap en feestdagen. Het vasten in de vierde maand hangt natuurlijk samen met de gebeurtenissen die in 2 Koningen 25 en Jeremia 3 beschreven worden en wordt in de klassieke uitleg geassocieerd met 17 tammoez. De boodschap van de vasten- en treurdagen is dus eigenlijk dat God wacht op het berouw van Zijn volk en zich juist op die dagen barmhartig betoont.