Waarom wonen de Joden zo verspreid over de aardbol? - Christ

Sluiten

Zoeken.

Waarom wonen de Joden zo verspreid over de aardbol?

Door Rabbijn mr. drs. R. Evers - 

18 juni 2020

Het Joodse volk ontstond buiten Israëls grenzen. Geen enkel volk is dit gelukt. We werden volk in Egypte en kregen onze grondwet, de Thora, in de woestijn. Exact 3332 jaar geleden werd het vertrapte slavenvolk een Joods volk, dat een geheel eigen leven zou gaan leiden in de gemeenschap der volkeren. Er ontstond voor het eerst in de geschiedenis een natie zonder vaderland, midden in de woestenij, ver weg van iedere cultuur en beschaving.

De Thora zou hun transportabele vaderland worden, G’ds ethiek, hun spirituele centrum tijdens hun reis door de diaspora. We kregen de Thora in de woestijn: “Gelijk de woestijn, behoort de Thora aan niemand toe”. De Thora is voor iedereen bedoeld en is niet het exclusieve bezit van het Joodse volk.

  • 1522 voor de gewone jaartelling (vdgj.) vertrekken we naar Egypte
  • 1312 vdgj. -Uittocht uit Egypte
  • 1272 vdgj. trekt het Joodse volk onder leiding van Jehosjoe’a Israël binnen; 410 jaar zou de eerste Tempel blijven bestaan.
  • 422 vdgj. wordt de eerste Tempel verwoest (70 jaar duurt de Babylonische ballingschap)
  • 352 vdgj. wordt de tweede Tempel gebouwd. Het tweede Joodse rijk duurde ongeveer 420 jaar.
  • 70 gaat Jeruzalem in vlammen op.

“Met een traan en een lach zijn we door het oog van de naald van het goloes (de ballingschap) gekropen.”

De Joden uit die tijd waren wanhopig. Veel Joden wilden geen vlees meer eten en geen wijn meer drinken. Rabbi Jehosjoe’a vroeg hen: “Kinderen, waarom eten jullie geen vlees en drinken jullie geen wijn?” Zij antwoordden: “Zouden wij dan vlees eten en wijn drinken, waarvan men offers op het altaar bracht, terwijl dit nu opgehouden is?”Vul hier uw eigen inhoud in.

Maar de wanhoop sloeg om in hoop. Niet lang na de verwoesting liepen Rabbi Gamliëel, Rabbi Elazar ben Azarja, Rabbi Jehosjoe’a en Rabbi Akiwa zwijgend op de ruïnes van Jeruzalem. Ze staarden vertwijfeld naar de verwoesting. Plotseling duikt een troep vossen op. Drie geleerden begonnen luid te klagen: “O, dat Jeremia’s woord zo waarheid moest worden: vossen lopen er op de verwoeste berg Zion rond” (Klaagliederen 5:18). Maar Rabbi Akiwa glimlacht: “Begrijpen jullie dan niet waarom ik mij verheug? Als de onheilsprofetieën zo stipt vervuld worden dan zullen ook de goede voorspellingen eenmaal bewaarheid worden”. Dit werd onze goloes(ballinschaps)attitude.

Met een traan en een lach zijn we door het oog van de naald van het goloes (de ballingschap) gekropen. Onze goloeservaring heeft ons bewustzijn zwaar gekleurd. We voelen ons vervreemd, vernederd, en vervolgd in de diaspora. We vragen ons af waarom het zo lang moet duren. De G’ddelijke aanwezigheid, die ons begeleidt, is ook in goloes. Onze trek door de woestijn in de Thora staat wellicht model voor onze tocht over de aardbol. Onze goloestragedie is vernedering en chiloel Hasjeem, ontwijding van G-ds Naam die moeilijk te voorkomen is.

Straf, liefdestuchtiging of uitdaging?

In de loop der eeuwen zijn verschillende theorieën over het goloesbestaan van het Jodendom de revue gepasseerd. Er staat regelmatig in de Thora aangegeven dat wanneer wij ons niet goed gedragen, wij Israël uitgezet worden: “Jullie verstrooi Ik onder de volkeren en met uitgetrokken zwaard kom Ik achter jullie aan” (Vajikra/Leviticus 26:33). Misschien is de goloes niet eens een straf maar eerder een soort natuurlijk `oorzaak en gevolg’-automatisme.

Aan onze aartsvaders Avraham en Ja’akov waren de toekomstige ballingschappen al voorspeld. In de Thora wordt wel toegezegd dat wij nooit geheel vernietigd zullen worden. Het Joodse lijden in goloes is een goede gelegenheid om G’d voor te houden dat wij Hem trouw zijn gebleven ondanks alle ellende. Zonder ballingschap is er ook geen bevrijding. De ballingschap is een voorloper van de tijd van de Masji’ach.

Maar er zijn meer redenen voor goloes, diaspora en ballingschap. Voordat het christendom de Romeinse staatsgodsdienst werd, bekeerden zich velen in het Romeinse rijk tot het Jodendom. De Talmoed voorspelt dit al: “De Joden zijn alleen in ballingschap om geriem (bekeerlingen) te maken” (B.T. Pesachiem 78b). L’histoire se repete: Abraham moest ook door veel landen trekken om geriem te maken.

Vier hoeken

G’d verspreidde de Joden over alle vier hoeken van de aardbol om te voorkomen dat ze in één land volledig vernietigd worden. In feite staat het al voorspeld in het verbond tussen de stukken: “Je kinderen zullen zijn als het stof der aarde” (Bereesjiet 13:16). De Midrasj zegt hier op: “Zoals het stof van de aarde over de hele wereld verspreid is, zo zullen jouw kinderen ook over de hele wereld verspreid worden. Net zoals iedereen trapt op het stof der aarde, zo zullen de Joden met minachting behandeld worden in goloes”.

In goloes – gelijk in de Sinai woestijn – was de enige gemeenschappelijke houvast de Thora. Alleen in de Thora onderscheidden wij ons van de omgeving. Het antisemitisme heeft altijd als een stevig anti-assimilatie middel gewerkt. Dat we toch trouw blijven, wordt gewaardeerd: “De latere generaties zijn beter dan de eerdere. Hoewel wij verdrukt worden is er veel Thorastudie” (B.T. Joma 9b).

Vonkenrapers

Maar de ware reden voor goloes staat in de Joodse mystiek. Kabbalisten leggen uit, dat G-d Zijn aanwezigheid moest verduisteren om onafhankelijk leven mogelijk te maken. De eerste scheppingsbeweging was Zelfbeperking, anders zou ieder leven acuut opgaan in de alles overheersende G-ddelijke Aanwezigheid. G-d trok Zich terug om plaats te maken voor iets `onafhankelijks’ naast Hem.

Door toenemende G-dsverduistering ontstonden steeds meer materiële levensvormen. Onze aardse materie is de sterkste verhulling van het Oneindige Licht, het grootste spanningsveld tussen Zijn verberging en openbaring. Juist daarom moet onze fysieke wereld op ieder moment door een bijzonder grote scheppingskracht in stand worden gehouden.

In die materie liggen de hoogste G-ddelijke vonken. Die kunnen alleen verlost worden wanneer de materie – met daarin deze vonken G-ddelijkheid – voor een mitsva (gebod) uit de Thora gebruikt worden. Daarom moet het Joodse volk de hele wereld doorkruisen: om de overal verloren geraakte kedoesja – vonken van heiligheid te verlossen en tot hun oorsprong terug te brengen. Pas wanneer alle vonken verheven zijn, komt de Masji’ach. Daarom zijn wij nog steeds in goloes om uiteindelijk zo snel mogelijk terug te keren naar ons Heilige Land, Erets Jisra’eel!

De auteur

Rabbijn mr. drs. R. Evers

Rabbijn mr. drs. R. Evers werd in 1954 geboren en studeerde af in klinische psychologie en fiscaal recht. Daarnaast behaalde hij in 1989 de Rabbinale graad. Sinds 1990 was hij Rabbijn bij het Nederlands Israëlitisch Kerkgenootschap – het overkoepelend orgaan van de traditioneel-Joodse gemeenten in Nederland. Sinds 1 september 2016 is hij opperrabbijn van de Joodse gemeente in Dusseldorf. Hij publiceerde vele populair-wetenschappelijke artikelen over het Jodendom.