Poeriem is misschien wel bij uitstek het feest van de ballingschap van Israël. De Joden in het Perzische Rijk ontkomen aan het moordcomplot van de kwaadaardige Haman. En telkens weer in de geschiedenis van het Joodse volk zijn er machthebbers ‘opgestaan om het te vernietigen’, zoals het in de haggada van Pesach verwoord wordt – en telkens weer met dezelfde motieven. Er loopt een lijn van Haman naar de ‘definitieve oplossing’ van Hitler-Duitsland en de ‘Al-Aqsastorm’ van Hamas en andere terreurgroepen op 7 oktober 2023.
Als Esther erin toestemt om naar koning Ahasveros te gaan om te proberen de plannen van Haman te verijdelen, vraagt ze eerst aan de Joden in Susan om drie dagen met en voor haar te vasten (Esther 4:16). Dit vasten van Esther wordt nog altijd herdacht op de dag voor Poeriem, die daarom ook Taäniet Esther, het vasten van Esther, wordt genoemd. Op die dag wordt er overdag gevast door de Joden.
Esther zelf en de Joden in Susan vastten dus drie dagen, ‘nacht en dag’. Dat geeft aan, zegt een middeleeuwse Joodse verklaarder (Ibn Ezra), dat Esther niet op haar schoonheid vertrouwde, maar alleen op God. Want drie dagen vasten zal haar wel aan te zien zijn geweest.
Merkwaardig is dat de naam van God in het hele boek niet genoemd wordt. God is verborgen. Dit vasten van Esther is de meest directe toespeling in het hele boek op haar geloofsvertrouwen. Een andere toespeling kunnen we horen in de woorden van Mordechai: “Want als je je in deze tijd in diep stilzwijgen hult, dan zal er vanuit een andere plaats verlichting en verlossing voor de Joden komen” (Esther 4:14). Het is duidelijk dat dat alleen van God kan komen.
Er is een keer in het lot van het Joodse volk gekomen. Israël komt thuis en woont weer in het land van de belofte.
De diepste verborgenheid van God ervaart Esther op het moment dat ze het paleis binnengaat. Ze heeft daarvoor haar koninklijke gewaad aangetrokken. De midrasj, de rabbijnse achtergrondverklaring, verklaart dat zij bekleed was met de heilige Geest. Maar dan komt ze in het paleis in een ruimte die vol afgodsbeelden is. Het is of de Sjechina, de aanwezigheid van God, van haar wijkt. In die duisternis roept ze uit: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?" (Psalm 22:2)
Hoe is dat de eeuwen door voor Israël geweest in de ballingschap? Hoe is dat vandaag? Is onze wereld, onze geschiedenis niet vol afgodsbeelden? Moeten we niet zeggen dat het Joodse volk in die duisternis God vertegenwoordigd heeft?
Esther mag bij de koning komen. De midrasj verklaart: drie engelen zijn haar te hulp gekomen. Er komt een keer in het lot van de Joden. Er is een keer in het lot van het Joodse volk gekomen, ook na de nacht van de Sjoa. Israël komt thuis en woont weer in het land van de belofte. Ook na ‘7 oktober’ is er een omkeer geweest. Israël floreert, het Iraanse regime staat op instorten.
En ons land; en Europa? Wat is de keerzijde? Is er nog plaats bij ons voor de Joden? Het wordt hier donker. Maar in Israël wordt het licht. Voor wie het wil zien.