Over onreine vogels en het tellen van de omer
Door Rabbijn mr. drs. R. Evers -
17 april 2026
Afgelopen zaterdag lazen wij in de Thora over de onreine vogels – dieren die wij niet mogen eten. Op het eerste gezicht lijkt dit een technische lijst van verboden soorten. Maar de Thora spreekt nooit alleen op fysiek niveau. Wat wij eten, vormt wie wij worden. Niet alleen ons lichaam, maar ook onze ziel wordt gevoed – of vervormd – door wat wij tot ons nemen.
Onze Wijzen leren dat de vogels die verboden zijn, roofdieren zijn. Zij grijpen, verscheuren en leven van wat dood en gebroken is. Dat is geen toeval. De Thora wil niet dat wij mensen worden die leven van het negatieve, die zich voeden met wat mis is in plaats van wat goed is.
De da’a
Een bijzonder voorbeeld is de da’a, een vogel met een uitzonderlijk scherp gezichtsvermogen. Volgens de Talmoed “vliegt hij boven Babylonië en kan hij vanuit grote hoogte iets onreins zien liggen in Israël”, zelfs van enorme afstand. In plaats van zijn gave te gebruiken om schoonheid of leven te zien, richt hij zich op aas – op wat verrot en onrein is.
Dat beeld is confronterend herkenbaar. Er zijn mensen die, waar ze ook kijken, altijd het negatieve vinden, speciaal in Israël. Altijd kritiek. Zoals de da’a zoeken zij naar wat ontbreekt, wat gebroken is. We mogen deze vogel niet eten en ook niet worden.
Omer tellen
En precies daar sluit een tweede grote Bijbelse opdracht van deze periode op aan: het tellen van de omer. Vanaf de tweede avond van Pesach beginnen wij elke dag te tellen, 49 dagen lang, tot aan Sjawoe’ot (Pinksteren: dit woord komt van het Griekse woord Pentekote, dat 50 betekent). De ‘omer’ is een maat gerst die als offer in de tempel werd gebracht. Maar de diepere betekenis is spiritueel en vertaalt ‘omer’ als ‘aan het werk gaan’: elke dag is een stap van groei, een trede op een ladder omhoog.
Pesach markeert de fysieke bevrijding uit Egypte. In één nacht werden wij verlost uit slavernij. Maar vrijheid is meer dan ontsnappen. Vrijheid betekent ook innerlijke verandering. Egypte verlaten is één ding. Egypte uit jezelf verwijderen is iets heel anders.
“Er zijn mensen die, waar ze ook kijken, altijd het negatieve vinden, speciaal in Israël. Zoals de da’a zoeken zij naar wat ontbreekt, wat gebroken is.”
Daarom duurde het vijftig dagen tot wij de Thora konden ontvangen bij de Sinaï. De Israëlieten waren in Egypte tot de diepste onreinheid gezonken. Zij waren nog niet klaar voor de Thora. De 49 dagen van de omer zijn een proces van groei: elke dag een stap omhoog, elke dag een stukje zuiverder, bewuster, gerichter.
Maar ook het tellen zelf is essentieel. Zoals iemand aftelt naar een langverwachte gebeurtenis, zo tellen wij naar de G’ddelijke openbaring bij de Sinaï. Het tellen creëert verlangen. Het houdt ons gefocust op het doel. De exodus was geen eindpunt maar een begin.
Keuze
De da’a kijkt en ziet alleen wat rot is. De mens die de ‘omer’ telt, kijkt en ziet een toekomst. Hij ziet groei en potentie, zelfs als het heden gebroken voelt.
De omer leert ons twee dingen tegelijk: werken aan onszelf én blijven verlangen. Elke dag vraag je jezelf af: waar kan ik groeien? Waar kan ik beter worden? Maar ook: waar kijk ik naar? Zie ik alleen wat ontbreekt, of zie ik ook wat groeit?
Wij leven in een wereld vol uitdagingen. Persoonlijk, maatschappelijk, nationaal. Het is gemakkelijk om de rol van de da’a aan te nemen en om van grote afstand te analyseren wat er mis is. Maar de Thora vraagt iets anders van ons. Zij vraagt ons om betrokken te zijn, om te bouwen, om te danken.
De uittocht uit Egypte ligt achter ons. De Sinaï ligt voor ons. En wij bevinden ons daartussen – in de dagen van de omer. Elke dag opnieuw kiezen wij: voeden wij ons met het negatieve of trainen wij onze ogen om het goede te zien?
Dankbaarheid is geen bijzaak. Het is een levenshouding. Het is de manier waarop wij onszelf verheffen, dag na dag, stap voor stap.
De da’a zag aas.
Wij mogen leren om wonderen te zien. En wij zien ze…