Sluiten

Zoeken.

Artikelen

Activiteiten

Kennisbank

Podcasts

Projecten

Publicaties

Videos

Overig

Joodse wereld

Terug naar overzicht

Iedereen kan iets dragen (deel 2)

Door Yoel Schukkmann - 

22 mei 2026

F140408NS08

Joodse kinderen helpen met het uitdelen van voedselpakketten in Jeruzalem. | Foto: Flash90

Iemand sprak mij ooit op straat scherp aan en vroeg waarom wij soldaten hielpen, terwijl er ook zoveel jesjiva-bochurim (jongemannen die studeren aan een religieuze leerschool) zijn die hulp nodig hebben.

Ik zei hem: “Wij helpen allebei. Deze Sjabbat heb ik veertien jongens bij de avondmaaltijd en nog eens veertien overdag.” Toen keek ik hem aan en vroeg: “Vertel mij… wat doe jij?” De man deed plotseling een stap terug. “Ik? Ik heb geen geld. Ik heb kinderen in school…” “Ik ook niet,” zei ik tegen hem. “En ik heb ook kinderen in school.” “Ik kan het mij niet veroorloven om te helpen,” zei hij. “Ik ook niet,” glimlachte ik terug. “Maar je hoeft geen geld te hebben om te helpen. Hang een briefje op. Vraag anderen om jou te helpen anderen te helpen.”

Rabbijn Moshe Alshich (1508-1593) schreef dat wanneer mensen naar elkaar kijken met de vraag, “wat kan ik doen om de ander te helpen?” dan gedraagt G-d zich met hen op dezelfde manier. Ook Hij kijkt, als het ware, naar wat Hij kan doen om hen te helpen. Zoals er staat in Psalm 121:5: “Hashem tzilcha” G-d is jouw schaduw. Een schaduw beweegt zoals de mens beweegt. Wanneer een mens zijn hand uitstrekt, strekt de schaduw zich ook uit. Wanneer mensen met liefde naar elkaar kijken, wanneer zij niet alleen zien wat de ander tekortkomt, maar vragen wat zij zelf kunnen dragen, dan wekt dat Boven ook zo’n gedrag op. Hashem sluit zich, als het ware, bij hen aan, en Zijn gedachten zijn gericht op hulp, genade en liefdadigheid.

Dat betekent niet dat iedereen hetzelfde moet doen. Maar het betekent wel dat iedereen moet vragen: Wat is mijn deel? Wat kan ik dragen? Niet “wat kan ik niet”, maar wat kan ik wel?

De Rizhiner Rebbe, rabbijn Yisroel Friedman (1796–1850) werd ooit bezocht door een jonge man die bij hem kwam om als rabbijn bevestigd te worden. De Rizhiner vroeg hem: “Weet jij in hoeveel delen de Shulchan Aruch is verdeeld?” “In vier delen, natuurlijk,” antwoordde de jongeman. De Shulchan Aruch, de klassieke codex van de Joodse wet, is namelijk verdeeld in vier hoofdgedeelten. “En het vijfde deel?” vroeg de Rebbe. “Ken jij dat ook?” De jongeman raakte nu in de war. “Een vijfde deel? Daar heb ik nooit van gehoord.” Toen zei de Rizhiner: “Ik zal je zeggen wat het vijfde deel is: “le’olam yehee adam”, een mens moet altijd een ‘mentsh’ zijn.”

De Rizhiner bedoelde hiermee dat alle kennis van halacha, alle geleerdheid, alle juistheid en alle vroomheid moeten rusten op menselijkheid. Het Jiddisch woord “mentsh” heeft hier een dubbele betekenis. Letterlijk betekent het gewoon “mens”. Maar in het Jiddisch wordt het ook gebruikt voor een fatsoenlijk, gevoelig en verfijnd mens; iemand die een ander met waardigheid behandelt en voelt wat een ander nodig heeft. Een mens kan veel weten, maar als hij niet voelt wat een ander mens nodig heeft, ontbreekt er iets in zijn Thora. Het vijfde deel van de Shulchan Aruch is niet gedrukt op papier. Het staat geschreven in de manier waarop een mens met een ander mens omgaat.

Een mens kan veel weten, maar als hij niet voelt wat een ander mens nodig heeft, ontbreekt er iets in zijn Thora.

En ook dit idee vinden wij in de Thora-lezing van vorige week. Wij lezen hoe de Levieten apart werden geteld, en dat hun taak was om de mishkan, de tabernakel, te dragen. Iedere familie van Levieten had haar eigen taak. Sommigen droegen de aron, de ark. Sommigen droegen de shulchan, de tafel. Sommigen droegen de menora en de keelim, de heilige voorwerpen. Sommigen droegen de gordijnen, en sommigen droegen de planken en voetstukken. Niet iedereen droeg hetzelfde. Maar iedereen droeg een deel van de tabernakel.

En zo werkt chesed (liefdadigheid) ook. Niet iedereen kan gasten ontvangen. Niet iedereen heeft plaats. Niet iedereen kan zulke hoeveelheden koken of bakken. Niet iedereen kan een hele Sjabbat of Yom Tov bekostigen.

Wij waren zelf ook niet in staat om alle kosten van de voedselpakketjes die wij vóór Pesach stuurden te betalen. Maar iemand anders kon dat deel dragen, en hij heeft het betaald. Iedereen kan iets dragen… op de één of andere manier. De één kan eten geven. Een ander kan een grotere bijdrage geven, een ander een kleiner bedrag. Weer een ander kan helpen regelen. Een ander kan het doorgeven of een gast sturen. En samen wordt het een mishkan.

Een tafel, ons hedendaagse altaar, wordt een plaats van heiligheid. En zelfs een klein appartement kan deel worden van het kamp waar geen jesjiva-jongen, geen gast, geen gezin dat worstelt, en geen eenzaam mens zich voelt als een naamloos nummer.

Moge Hashem ons de kracht geven om te dragen wat wij kunnen dragen, en om altijd nog plaats te maken voor een ander.

Dit is het tweede deel over goed doen aan de naaste. Hier leest u deel 1 terug.

Yoel Shukkmann

De auteur

Yoel Schukkmann

Yoel Schukkmann groeide op in Nederland en maakt deel uit van een chassidische gemeenschap, een stroming binnen het ultra-orthodoxe Jodendom. In zijn tienerjaren verhuisde hij naar Israël om in...

Doneren
Abonneren
Agenda