Amnesty International heeft opnieuw een rapport gepubliceerd waarin Israël wordt beschuldigd van allerlei overtredingen van het internationaal recht. De mensenrechtenorganisatie vindt dat de internationale gemeenschap medeplichtig is, omdat die niet ingrijpt of het land zelfs blijft steunen.
Volgens Amnesty stuurt Israël actief aan op de etnische zuivering van Palestijnen op de Westelijke Jordaanoever. Bijna zesduizend Palestijnen die op de Westelijke Jordaanoever wonen, waren eind april uit hun huizen verjaagd, blijkt uit data van de Verenigde Naties. In totaal waren er op dat moment 363 nederzettingen, waarvan er 212 pas na 2023 zijn ontstaan. Nu.nl bericht dat “in het onderzoek duidelijk wordt dat Israël, ondanks dat de nederzettingen in het internationaal recht illegaal zijn, de bouw hiervan stimuleert”.
De heersende opvatting bij de Verenigde Naties, het Internationaal Gerechtshof en de meeste internationale juridische autoriteiten is inderdaad dat “Israëlische nederzettingen illegaal zijn”. In 2024 heeft het Internationaal Gerechtshof een opinie gepubliceerd waarin het Hof van mening is dat de bezetting door Israël van het “bezet Palestijns gebied” illegaal is geworden en dat Israël “zo spoedig mogelijk” zijn aanwezigheid in dit gebied tot een eind moet brengen.
Maar hoe zit het met de status van Israëli’s die in Judea en Samaria wonen? Is het feit dat een Israëli in dit gebied woont bewijs van een overtreding van het internationaal recht? Er valt echter veel voor te zeggen dat “Israëlische nederzettingen” op de Westelijke Jordaanoever niet automatisch illegaal zijn volgens het internationaal recht.
'Bezetting'
Ten eerste is het argument dat de Westelijke Jordaanoever “betwist” gebied is. Het conventionele recht inzake militaire bezetting is bedoeld voor grondgebied dat is veroverd op een erkende soevereine staat. Omdat de aanspraak van Jordanië op de Westelijke Jordaanoever tussen 1948 en 1967 internationaal niet algemeen werd erkend, voldoet het gebied niet aan de klassieke juridische definitie van bezet gebied. Daarom zijn sommige regels van het bezettingsrecht mogelijk niet van toepassing op de manier waarop critici beweren.
Ten tweede wordt artikel 49, lid 6, van het Vierde Verdrag van Genève verkeerd geïnterpreteerd. Het standaardargument tegen nederzettingen is gebaseerd op artikel 49, lid 6, dat een bezettende macht verbiedt delen van haar eigen bevolking over te brengen naar bezet gebied. Deze bepaling is voornamelijk opgesteld om het soort gedwongen bevolkingsverplaatsingen te voorkomen dat tijdens de Tweede Wereldoorlog plaatsvond. Israëlische burgers die vrijwillig verhuizen in plaats van te worden gedeporteerd of gedwongen overgebracht door de staat, vallen daarom niet onder het verbod van artikel 49, lid 6.
“Het feit is dat de Palestijnen zelf afgesproken hebben dat, totdat er een definitief akkoord is gesloten, Israël het recht heeft om Israëli’s in deze gebieden te laten wonen.”
Mandaattijdperk
Ten derde heeft Israël soevereine rechten op Judea en Samaria op basis van historische en juridische regelingen uit het Mandaattijdperk. Het Mandaat voor Palestina (1922) bepaalde dat Joden het recht hadden om nederzettingen te stichten in Palestina. Toen de staat Israël in 1948 uitgeroepen werd, waren de grenzen niet in de Onafhankelijkheidsverklaring vastgesteld. Volgens het internationaal recht heeft de staat Israël in mei 1948 de grenzen van het mandaatgebied overgenomen. Vanuit dit perspectief gaat het niet om een bezetter die zich vestigt op andermans soevereine grondgebied, maar veeleer om concurrerende aanspraken op grondgebied waarvan de definitieve status nog onopgelost is.
Juridische nuance
Ten vierde zijn niet alle ‘nederzettingen’ gelijk. De rechtmatigheid van nederzettingen moet per geval worden beoordeeld. Algemene beweringen dat alle nederzettingen illegaal zijn, moeten worden onderscheiden van de juridische status van specifieke gemeenschappen. De rechtmatigheid van een specifieke nederzetting kan afhangen van factoren zoals grondbezit, lokale omstandigheden en toepasselijke overeenkomsten, in plaats van een algemene regel dat elke nederzetting onwettig is.
Ten slotte werd in de Oslo-akkoorden, die tussen Israël en de PLO in de jaren negentig werden gesloten, afgesproken dat veiligheid, nederzettingen en grenzen onderwerpen zijn die behandeld moeten worden in toekomstige onderhandelingen. Het feit is dat de Palestijnen zelf afgesproken hebben dat, totdat er een definitief akkoord is gesloten, Israël het recht heeft om Israëli’s in deze gebieden te laten wonen. Het illegaal verklaren van alle nederzettingen loopt vooruit op kwesties waarvan de partijen waren overeengekomen dat ze via onderhandelingen zouden worden opgelost.
De bewering dat ‘de nederzettingen illegaal’ zijn, is een oneerlijke bewering die voorbijgaat aan historische feiten en een degelijke juridische analyse.
Klik op onderstaande knop voor een overzicht van de huidige situatie in Judea en Samaria (de zogenoemde ABC-gebieden).
Deze opinie verscheen eerder in onze maandkrant Israël Aktueel. Klik hier om gratis abonnee te worden!