Er zijn geboden die een Jood doet. En er zijn geboden die een Jood vertellen wie hij is. Brit Milah, besnijdenis, behoort tot die laatste categorie. Het is niet zomaar een ceremonie die op de achtste dag wordt uitgevoerd, zoals de Thora gebiedt. Het is het eerste heilige teken dat op het Joodse lichaam wordt aangebracht; de eerste verklaring dat dit kind behoort tot een volk waarvan het leven niet hefker is, niet eigenaarloos, waarvan het lichaam niet slechts vlees is, en waarvan de toekomst niet slechts natuurlijk is. Want hij wordt geboren in een eeuwig verbond.
Verbond in het vlees
Toen G-d Avraham gebood, sprak Hij over een band: “Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en jou en jouw kinderen na jou, door al hun generaties heen, als een eeuwig verbond” (Genesis 17:7). De besnijdenis zelf is het teken van dit verbond tussen G-d en het Joodse volk, zoals het vers zegt: “Mijn verbond zal in jullie vlees zijn als een eeuwig verbond” (Genesis 17:13). Dat is de diepste betekenis van besnijdenis. Een Jood dient G-d niet alleen met zijn verstand, met zijn hart, met zijn spraak, met zijn gebeden en zijn leren. Ook zijn lichaam zelf wordt in dit verbond opgenomen.
Onze Geleerden beschrijven de grootheid van deze mitzvah (gebod) door te zeggen dat G-d dertien verbonden met het Joodse volk heeft gesloten rondom deze mitzvah. Want dertien keer herhaalt de Thora het woord “brit” (verbond) in het gedeelte dat besnijdenis beschrijft in Genesis 17. Dat is omdat deze mitzvah niet zomaar één detail is tussen vele andere. Het is het basisverbond waardoor een Joods kind wordt binnengebracht in zijn volk.
Het klassieke werk Sefer HaChinoech, geschreven in de dertiende eeuw, legt uit dat G-d wilde dat Zijn uitverkoren volk een blijvend teken zou dragen in het lichaam zelf. Een Jood is niet bedoeld om alleen anders te zijn in de synagoge, in kleding, in taal, of in wat hij eet. Het verschil reikt tot in het vlees zelf. Ook het lichaam zegt: ik kom van Avraham Avinoe (onze voorvader Abraham). Ik stond bij Sinai. Ik behoor toe aan Hashem. En daarom kan een Jood niet leven zonder besnijdenis.
Een eeuwig verbond
Natuurlijk blijft een onbesneden Joods kind halachisch gezien (volgens de Joodse wet) een Jood. Een Joodse baby is ook vóór de bris een Joodse baby. Maar een Joods leven waarin besnijdenis verboden is, is een Joods leven onder geestelijke verstikking. De Thora zelf zegt dat iemand die moedwillig onbesneden blijft, “Mijn verbond heeft verbroken” (Genesis 17:14). En elke dag dat hij in die toestand blijft, verbreekt hij dat verbond opnieuw. Elke dag wordt een nieuwe overtreding, een nieuwe breuk die boven op de vorige komt. Maar als hij echter gedwongen wordt om zo te leven, dan rust de verantwoordelijkheid voor die ernstige schending op degenen die dit hem opleggen. Wanneer een overheid dus zegt: “Je mag hier Joods zijn, maar zonder besnijdenis,” dan biedt het geen godsdienstvrijheid. Het biedt een museumversie van het Jodendom… een volk zonder verbond. En zo’n plaats wordt onmogelijk voor echt Joods leven.
De Joodse geleerden zeiden, “elke mitzvah die het Joodse volk met vreugde heeft aanvaard, zoals mila (besnijdenis), zullen zij altijd met vreugde blijven vervullen.” En ook: “Elke mitzvah waarvoor Joden zelfopoffering toonden in tijden van een kwade decreet, zoals milah, blijft voor altijd stevig in hun handen.” En daarom zien wij ook vandaag nog steeds Joden over de hele wereld, van alle achtergronden en van alle religieuze niveaus, die dit gebod met zoveel passie vast houden. Want dit is niet iets dat vandaag is begonnen.
“Een Jood is niet bedoeld om alleen anders te zijn in de synagoge, in kleding, in taal, of in wat hij eet. Het verschil reikt tot in het vlees zelf. Een Jood kan niet leven zonder besnijdenis.”
Terugkerende decreten
In de dagen van Antiochus begrepen de Grieken heel goed dat als zij de Thora wilden ontwortelen, zij Sjabbat, Rosh Chodesh (begin van de nieuwe Joodse maand) en besnijdenis moesten aanvallen. Vrouwen die hun kinderen besneden, werden ter dood gebracht, en baby's werden rond hen opgehangen. Het decreet was niet alleen gericht tegen een ritueel. Het was gericht tegen de voortzetting van het Joodse volk als het volk van G-d. Maar het ging nog dieper. De misyavnim waren geen gewone “buitenstaanders”. Dit waren gehelleniseerde Joden die de Griekse wereld zo diep in hun hoofd en hart hadden toegelaten, dat zij zich begonnen te schamen voor de tekenen van heiligheid, en partners werden in de Griekse poging om het Joodse volk om te vormen tot iets dat aanvaardbaar was voor de volkeren. Velen van hen ondergingen zelfs ingrepen om hun besnijdenis te verbergen of ongedaan te maken, zoals de geleerden van de Talmoed bespreken met betrekking tot “een Jood die probeert huid over de plaats van het verbond te trekken”. Dat maakte de hele oorlog rondom Chanoeka tot een bijzonder pijnlijke oorlog. Het was niet alleen een strijd tegen Antiochus van buitenaf, maar ook - of vooral - tegen Joden van binnenuit die vijanden waren geworden van hun eigen G-d en volk.Later, onder Rome, keerde dezelfde strijd terug. De decreten van Hadrianus waren verbonden met een verbod op besnijdenis rond de periode van de Bar Kochba-opstand. Rome begreep dat wanneer men het Joodse volk wil treffen, men Jeruzalem, de Thora, Sjabbat en besnijdenis treft. En door de generaties heen keerde dit patroon telkens terug. Van heidense rijken, van christelijk Europa, van de nazi’s, van communistisch Rusland… en soms van moderne rechtbanken en parlementen met gepolijste taal en humanitaire zinnen. Maar de kern is dezelfde. De wereld zegt: “Wees Joods in privé. Maar markeer de volgende generatie niet met een eeuwig verbond.” Dat is geen tolerantie. Dat is een decreet dat niet slechts bedoeld is om Joodse praktijk te reguleren, maar om Joods geloof en Joodse identiteit te ontwortelen met een beschaafd gezicht.
En nu keren in Europa de oude decreten opnieuw terug, in nieuwe kleding. Zoals de lezer waarschijnlijk weet, zijn de debatten over shechita (Joods rituele slacht) en besnijdenis in Nederland al jarenlang met elkaar verbonden. In het Nederlandse publieke en politieke debat worden koosjer slachten en niet-medische besnijdenis herhaaldelijk behandeld als praktijken die beperkt, gereguleerd of verboden zouden moeten worden.
Antwerpen
En juist deze week schokte het nieuws uit Antwerpen opnieuw het hart van de Joodse wereld. Belgische openbare aanklagers gingen verder met een “strafzaak” tegen mohalim (Joods besnijders) wegens het uitvoeren van besnijdenissen. En er is hier nog een pijnlijke laag, één die ons terugbrengt naar de oude wond van de misyavnim. De Antwerpse zaak is vooruitgeduwd door “klachten” van een controversiële anti-zionistische activist, geboren in de ultraorthodoxe wereld, die zichzelf als rabbijn presenteert maar niet wordt erkend door de gevestigde Joodse gemeenschap. Deze man leeft al jaren in bittere conflicten met Joodse gemeenschappen in Europa, werd verstoten nadat hij in 2006 de Holocaust ontkenningsconferentie in Teheran, Iran, had bijgewoond. Daarnaast sleepte hij Antwerpse Joodse scholen voor de rechtbank om zijn zonen aangenomen te laten worden om in een bepaalde chassidische meisjesschool te leren, viel hij publiekelijk shechita (Joodse slacht) aan, en richtte hij zich daarna op besnijdenis. Welke juridische taal de staat nu ook gebruikt, de pijn wordt verdubbeld wanneer de beschuldiging tegen dit heilige gebruik in handen van de autoriteiten wordt gelegd door iemand die, zoals de misyavnim van vroeger, van binnenuit komt.“Laat dit dus duidelijk zijn: een samenleving die geen ruimte kan maken voor besnijdenis, kan zichzelf niet eerlijk vrij noemen. ”
Natuurlijk moet een besnijdenis altijd worden uitgevoerd met vaardigheid, verantwoordelijkheid, reinheid en goede medische zorg, en bovenal met vrees voor de hemel. Maar wanneer een overheid begint een mohel tot een criminele verdachte te maken, hoort iedere Jood die begrijpt dat Joodse traditie een heilige keten is die van generatie op generatie wordt doorgegeven, de echo. Want een mohel is geen cosmetische chirurg. Een mohel is drager van een heilige traditie die onze kinderen binnenbrengt in een verbond van bijna vierduizend jaar.
Wat het voor ons betekent
De Bluzhever Rebbe, rabbijn Yisroel Spira (1889-1989) vertelde dat hij in het concentratiekamp Janowska met eigen ogen zag wat besnijdenis betekent voor een Joodse moeder.
Een vrouw riep om een mes. De Rebbe, die dacht dat zij zichzelf van het leven wilde beroven, smeekte haar dat niet te doen. Een nazi-bewaker gaf haar zijn mes met een wrede glimlach, wachtend om te zien hoe nog een Joodse ziel zou breken. Maar in plaats daarvan opende zij een klein bundeltje in haar armen, en onthulde haar pasgeboren zoon. Toen hief zij, met een kracht die alleen uit de diepste plaats van zuiver geloof kon komen, haar ogen op naar de hemel en riep: “Tatte Zisseh [lieve Vader], U gaf mij een zuiver Joods kind. Nu is hij acht dagen oud en worden wij weggevoerd om te sterven. Ik geef hem aan U terug als een zuivere en heilige Jood.” En daar, in de schaduw van de dood, zei ze de beracha (de zegenspreuk) voor een besnijdenis uit en besneed haar kind. Enkele ogenblikken later stierven moeder en kind Al Kiddush Hashem, ter heiliging van G-ds Naam.
Dat is besnijdenis.
Het is geen simpel gebruik, en niet zomaar een culturele ceremonie die regeringen naar de mode van het uur mogen vergunnen, verdragen of uitwissen. Het is het verbond waarvoor een Joodse moeder, staande aan de poorten van de dood, nog steeds om een mes smeekte… niet om een leven te beëindigen, maar om het te heiligen.
Laat dit dus duidelijk zijn: een samenleving die geen ruimte kan maken voor besnijdenis, kan zichzelf niet eerlijk vrij noemen. Een samenleving die de Holocaust herdenkt in plechtigheden, maar het verbond vervolgt waarvoor Joodse moeders en kinderen stierven, heeft de geschiedenis slechts als theater geleerd. Een samenleving die diversiteit prijst maar het oudste levende verbond in de menselijke geschiedenis niet kan verdragen, is niet verlicht. Zij is bang voor heiligheid.
Besnijdenis is waar wij verklaren dat onze kinderen behoren tot een bestemming die hoger is dan de staat. Mijn volk is niet gisteren geboren, en wij zullen ook de ideologieën van gisteren niet om toestemming vragen om morgen te bestaan. Antiochus ging voorbij. Rome ging voorbij. Nazi-Duitsland ging voorbij. De Sovjet-Unie ging voorbij. De misyavnim verdwenen in de voetnoten van de geschiedenis. Maar de Jood en zijn verbond met onze Vader in de hemel blijven bestaan.
Deze ochtend nog was ik aanwezig bij de besnijdenis van de zoon van een buurman. En daarom wil ik afsluiten met dezelfde woorden die wij daar vanmorgen zeiden, en moge wij deze woorden zeggen voor ieder Joods jongetje die nog geboren zal worden, in Antwerpen, Amsterdam, Jeruzalem, en waar een Jood ook maar wonen mag:
“Zoals hij het verbond is binnengegaan, zo moge hij ook binnengaan in Thora, choepa (huwelijk) en goede daden.”
Bekijk ook deze uitzending over hoe het Joodse leven in België onder druk staat door de mogelijke vervolging van twee Joodse besnijders.