In de afgelopen dagen speelde zich hier een klein en ongemakkelijk voorval af dat op het eerste gezicht misschien niets bijzonders leek te zijn, maar toch een inkijkje gaf in iets groters. Iets dat de spanningen in de Israëlische samenleving aanraakt, maar ook aan de manier waarop Hashem dingen soms juist via zulke momenten laat lopen.
Twee jonge jesjiva-jongens, nog geen achttien jaar oud, waren bezig met een simpele en eeuwenoude taak: geld inzamelen voor hachnasat kallah, het helpen van een behoeftige bruid om haar huwelijk met waardigheid te beginnen. Het is geen werk waar iemand van droomt. Niemand groeit op met de ambitie om met een ongemakkelijke glimlach aan te kloppen en om geld te vragen. Het is ongemakkelijk, nederig werk, en vaak zelfs vernederend. Maar het is tegelijk ook heilig werk… en diep Joods, geworteld in het besef dat niemand, en zeker een bruidje niet, er alleen voor mag staan. En toen gebeurde het.
Neerbuigende ondervraging
Nadat de twee jongens aanbelden, werden ze geconfronteerd met een bekende televisie-journaliste en haar partner. In plaats van simpelweg te geven of beleefd te weigeren, besloten zij het moment te filmen. Wat volgde was een neerbuigende ondervraging over militaire dienst, vastgelegd op camera en zonder enige bescherming van de identiteit van de jongens online gezet. Een kort, ongemakkelijk moment werd zo een publiek spektakel, en opnieuw een illustratie van de spanningen tussen seculier en religieus Israël.
Die spanningen zijn echt. Ze gaan niet alleen over politiek of sociologie, maar raken emoties, identiteit en verantwoordelijkheid. “Wat betekent het om te leven in een Joodse staat onder voortdurende dreiging?” Dat zijn natuurlijk geen eenvoudige vragen. Maar naast die legitieme discussie bestaat er ook iets anders… iets minder fraais. En dat is, een bijna automatische, vaak achteloze minachting tegenover de charediem (ultra-orthodox Joodse gemeenschap). Te vaak wordt een charedi niet eerst gezien als mens, maar als symbool. Als iemand die moet worden gecorrigeerd, berispt, of zelfs belachelijk gemaakt. En zo werden twee jesjiva-jongens die een bruid probeerden te helpen plots het symbool van een nationaal debat.
Maar hier was meer aan de hand dan alleen ironie. Hier was sprake van hypocrisie. Elad Rotbaum, die samen met de journaliste diende bij het legerblad “Bamachaneh”, sprak zich daar openlijk over uit. Hij maakte duidelijk dat zij beiden dienden in een relatief comfortabele functie, ver verwijderd van de zware, risicovolle inzet waar vaak naar wordt verwezen in morele discussies over dienstplicht. Met andere woorden: degene die deze jesjiva-jongens berispte en bespotte, was zelf nauwelijks in de positie om met zo’n morele verhevenheid te spreken. En dat maakte het tafereel des te pijnlijker. Het was geen oprechte morele kritiek, maar een vertoning van superioriteit tegenover twee jesjiva-jongens die aan chesed (liefdadigheid) deden. Maar zoals zo vaak in de Joodse geschiedenis, liep ook dit verhaal anders dan verwacht…
“Wat mensen voor het ene doel bedoelden, werd voor iets heel anders gebruikt. En dat is niets nieuws in de Joodse geschiedenis. In het Jiddish zeggen we: 'A mentsh tracht ihn G-t lacht' (de mens maakt plannen, en G-d lacht).”
Stroom aan donaties
Het verhaal gaat dieper
“Twee ongemakkelijke jesjiva-jongens werden, zonder het te weten, de aanleiding voor een golf van chesed die veel verder reikte dan henzelf.”