De Telegraaf publiceerde een reportage over de situatie aan de Universiteit Maastricht die moeilijk te negeren is. Onder de kop 'Vermoord alle zionisten' beschrijft de krant hoe de universiteit de afgelopen jaren het toneel werd van radicale anti-Israëlische acties, verstoringen van lezingen en intimidatie van Joodse studenten en medewerkers. Betrokkenen spreken over een academisch klimaat waarin antisemitische retoriek en agressief antizionisme zichtbaar aanwezig zijn.
In de reportage komt ook een uitspraak voorbij die inmiddels berucht is: “Hitler had het moeten afmaken.” In elke andere context zou zo’n zin onmiddellijk een nationale politieke crisis veroorzaken. Op een universiteit zou zij een academische aardverschuiving moeten betekenen. Het feit dat zulke woorden überhaupt worden uitgesproken, zegt genoeg over het klimaat waarin Joodse studenten en medewerkers zich bevinden.
Een centrale figuur in het artikel is Rianne Letschert, tot 2026 bestuursvoorzitter van de universiteit en inmiddels minister van Onderwijs. In de krant spreekt zij over de verantwoordelijkheid van universiteiten om leiderschap te tonen en moeilijke kwesties niet uit de weg te gaan.
Opvallend is dat haar reactie het geschetste beeld nergens tegenspreekt. De problemen worden niet ontkend, maar ook niet benoemd als bestuurlijk falen. Dat maakt haar positie merkwaardig. Zij spreekt immers niet als buitenstaander. Jarenlang was zij de hoogste bestuurder van dezelfde universiteit waar deze ontwikkelingen plaatsvonden en bovendien lid van de taskforce die antisemitisme moest onderzoeken. De bestuurder onder wiens verantwoordelijkheid dit gebeurde, reflecteert nu als minister op hoe universiteiten met dit soort kwesties moeten omgaan.
In het boek Het 7 oktober-effect wordt precies dit mechanisme beschreven. Het gaat niet alleen om incidenten, maar om een proces van normalisering. Antisemitisme verschijnt zelden in zijn meest herkenbare vorm. Het ontwikkelt zich geleidelijk, vaak verpakt in taal over mensenrechten, kolonialisme of politieke solidariteit. Universiteiten, gewend conflicten te beschouwen als intellectuele debatten, reageren daarop voorzichtig. Besturen spreken liever over spanningen in het debat dan over intimidatie. Zo verschuiven grenzen. Wat eerst schokkend is, wordt een incident; wat een incident was, wordt uiteindelijk onderdeel van het debat.
“In een wereld waarin instituties wankelen en publieke debatten verharden, blijft uiteindelijk één bron van vertrouwen over. Psalm 115 verwoordt dat scherp.”
Achter de schermen speelt zich nog iets anders af. Medewerkers aan universiteiten die zich uitspreken voor Israël worden steeds vaker geconfronteerd met interne klachtenprocedures met geheimhoudingsplicht en geen beroepsmogelijkheden. Dossiers groeien terwijl degene over wie wordt geklaagd vaak nauwelijks weet wat er precies wordt beweerd. Het effect is voorspelbaar: mensen zwijgen. In mijn roman The Enduring Fragment heb ik dat mechanisme literair beschreven als herkenbare academische realiteit waarin reputaties via bureaucratische jihad worden beschadigd.
Daarnaast is er permanente monitoring. Uitingen van medewerkers over Israël worden juridisch gevolgd. Sociale media, lezingen en opiniestukken kunnen worden beoordeeld door advocatenkantoren die reputatierisico’s inschatten. Het signaal is duidelijk: wie zich openlijk pro-Israël uitlaat, begeeft zich op institutioneel gevoelig terrein. Zo ontstaat een academische cultuur waarin niet alleen protesten het debat beïnvloeden, maar ook een systeem van toezicht op wat wel en niet gezegd mag worden.
De gebeurtenissen na 7 oktober 2023 hebben zichtbaar gemaakt hoe ver deze verschuiving al was gevorderd. Terwijl Israël rouwde om de slachtoffers van de aanval, verschenen op universiteitscampussen demonstraties waarin Israël vrijwel uitsluitend als agressor werd neergezet. In Nederland sloeg de polarisatie zelfs om in openlijke vijandigheid toen begin november 2024 een Jodenjacht plaatsvond in Amsterdam, een gebeurtenis die op sommige campussen zelfs werd gevierd.
Antisemitisme wordt vaak pas erkend wanneer het expliciet en onmiskenbaar is. Wanneer het verschijnt als academisch activisme of politieke kritiek op Israël, verdwijnt het uit het blikveld van instituties die er juist grenzen aan zouden moeten stellen.
Tegelijk ontstaat een andere dynamiek. Bestuurders zoeken graag publieke momenten waarop zij hun betrokkenheid bij de Joodse gemeenschap tonen: foto’s met rabbijnen, ontmoetingen en ceremonies. Soms lijkt het alsof een bestuurder in moeilijkheden bijna een moreel “koosjer” certificaat ontvangt dat alles in orde is. Macht, status en reputatie bevestigen elkaar in zorgvuldig geregisseerde fotomomenten.
De politieke strijd verschuift ondertussen naar nieuwe thema’s. In het internationale debat worden Judea en Samaria steeds vaker uitsluitend beschreven als conflictgebied. Het Bijbelse hartland van Israël wordt gereduceerd tot een probleemgebied, en de bewoners tot een symbool van kwaad. Het woord “kolonisten” heeft inmiddels een bijna mythische lading gekregen, alsof hun bestaan zelf de kern van het conflict vormt.
In een wereld waarin instituties wankelen en publieke debatten verharden, blijft uiteindelijk één bron van vertrouwen over. Psalm 115 verwoordt dat scherp.
Meer weten over het 7 oktober-effect en hoe activisme de academische vrijheid onder druk zet? Bekijk dan deze uitzending met dr. Amanda Kluveld.