“Een geliefde onderwijzeres was Esther Vaz Nunes. Een compliment van haar werd beschouwd als een grote eer. Ze gaf zelden hoge cijfers. ‘Een 10 is voor God’, placht ze te zeggen. ‘Een 9 voor de heel knappen en een 8 voor de goede leerling’’’ (uit ‘Het brood der doden’).
Tijdens onze excursie in Joods Amsterdam met rabbijn Katz en een groep deelnemers wandelen we door de Rapenburgerstraat, het hart van de voormalige oude Jodenbuurt. Voor nummer 171 staan we stil. Op dit adres was destijds een Joods meisjesweeshuis gevestigd. Het pand is tegenwoordig mooi opgeknapt en opgedeeld in appartementen. Op de gevel staat een tekst die nog herinnert aan het meisjesweeshuis: ‘Tot de goede werken behoort de opvoeding van weesmeisjes’. Maar de meisjes zijn verdwenen. Hoewel de leiding een moedige strijd voerde om hen te redden, zijn ze bijna allemaal omgekomen tijdens de Holocaust.
Schrijfster Lea Appel beschrijft in haar boek ‘Het brood der doden’ de geschiedenis en ondergang van een Joods meisjesweeshuis in Amsterdam. Het is een herdenking van de kinderen die zijn vermoord, en een eerbetoon aan hen, die zich hebben ingezet voor de hun toevertrouwde kinderen.
Het pand op Rapenburgerstraat 171 werd in 1861 in gebruik genomen door het Nederlands Israëlitisch Weesmeisjes Collegie. Vanaf 1761 verstrekte het Collegie al financiële steun aan familieleden die wezen opvoedden. In het weeshuis werden meisjes opgevangen die thuis door armoede niet meer verzorgd konden worden. Soms was ook de moeder van het gezin gestorven, in een ander geval ontbrak de vader. Meisjes kregen hier een liefdevolle en Joods-orthodoxe opvoeding en les in huishoudelijke vakken. Na 1930 konden ze ook een opleiding tot verpleegster, secretaresse of onderwijzeres volgen.
De Joodse feesten werden in het tehuis uitbundig gevierd. De seideravond van het Pesachfeest was een belangrijk hoogtepunt. De Hagada werd voorgelezen, de liederen werden gezongen en de kinderen kregen Pesachwijn. Op de avond van de Sjabbat mochten de meisjes naar huis. Daar keken ze naar uit. Ze kregen wel goede voeding in het tehuis en degelijke kleren, maar dat woog toch niet op tegen de warmte van het gezin in de vaak overvolle krotwoningen.
Een hoogtepunt was het 175-jarig bestaan van het Collegie in 1936. Een week lang werd er feest gevierd met een fancy-fair, kaartavonden en lekkere hapjes. De dertigerjaren waren de beste jaren voor de kinderen, ondanks de armoede in de gezinnen en de geldnood in het weeshuis. Wat volgde was een nachtmerrie, zoals niemand die ooit had kunnen voorzien.
“Belangrijk is, als u de foto’s bekijkt en de verhalen leest van hun lief en leed, de kinderen en hun verzorgsters voor u ziet, dat u ze hoort! Want: ‘De herinnering is het brood der doden.'”
— Schrijfster Lea Appel
Als de fatale dag aanbreekt op 10 februari 1943 en de overvalwagens voor de deur staan, lukt het enkele meisjes nog om te ontsnappen. In een latere brief van een van hen wordt die dag beschreven:
“De Duitsers kwamen ’s morgens tegen achten met overvalwagens. Wij hadden allemaal een rugzak klaarstaan met kleren. Een paar meisjes konden ontvluchten door de achtertuin en voor de rest werd iedereen ingeladen en naar het spoorwegcomplex in Oostburg gebracht. Daar kwamen alle kinderen samen uit alle wees- en kinderhuizen uit Amsterdam en omstreken. Daar hebben wij de hele dag in de trein gezeten tot ’s avonds. De nazileider Aus der Fünten kwam. Daar hebben ook nog een paar meisjes kunnen ontvluchten, want de bewaking was niet scherp.”
De trein vertrekt die avond om 20.00 uur met 63 meisjes uit het weeshuis. Samen met het personeel bestaat de groep uit zeventig personen. Onder hen de directrice Rebekka Frank en adjunct-directrice Betsy Vromen-Snapper. Betty Vromen overleeft de verschrikkingen van het concentratiekamp Bergen-Belsen en doet later verslag hoe het verder ging met de kinderen:
“Ofschoon ik naar Westerbork gegaan was, met het vaste voornemen met de kinderen mee te gaan, hebben de volgende redenen mij daarvan teruggehouden: van verschillende kanten werd mij verzekerd dat het zeer onwaarschijnlijk was, dat ik bij de kinderen zou blijven; van de 63 meisjes die ik bij mij had, gingen de eerste keer 25 op transport met 5 van onze leidsters, 38 kinderen bleven nog in Westerbork met onze directrice. Mijn man was nog in Amsterdam. Dit laatste was ook de oorzaak dat ik nog blijven kon, zogenaamd om op hem te wachten.
Zo kwam de verschrikkelijke dinsdag waarop ik machteloos erbij stond dat onze kinderen en mijn trouwe medewerksters moesten vertrekken. De meeste meisjes gingen vol moed en vertrouwen dat zij zich er wel doorheen zouden slaan; de houding van de leidsters was, zoals ook trouwens gedurende de moeilijke jaren in Amsterdam, boven elke lof verheven.
Een paar dagen later werd ik ziek en ’s zaterdags werd ik met roodvonk naar het ziekenhuis gebracht. Zes weken lag ik in het ziekenhuis en elke maandagavond kwamen er kinderen aan het raampje om afscheid te nemen. Zo kwam ook de maandagavond dat directrice Rebekka Frank voor het raampje verscheen…”
Tot zover het verslag van Betsy Vromen. Zij heeft de Holocaust overleefd, maar alle 63 weesmeisjes werden vermoord, samen met hun leidsters en hun geliefde directrice Rebekka Frank.
Tijdens onze excursie door Joods Amsterdam besef ik hoe rijk de geschiedenis van de Joden in Amsterdam is en hoeveel er verloren is gegaan. Een gevoel van droefheid en verlies overvalt me op zo’n moment. Daarom moeten wij hun verhalen blijven vertellen, opdat wij hen niet vergeten!
Lea Appel besluit haar boek met de woorden: “Belangrijk is, als u de foto’s bekijkt en de verhalen leest van hun lief en leed, de kinderen en hun verzorgsters voor u ziet, dat u ze hoort! Want: ‘De herinnering is het brood der doden.'"