De Stichting Instandhouding Joods Erfgoed Gooi en Vechtstreek heeft in april 2026 een brochure uitgebracht, getiteld ‘Struikelstenen Hilversum 2026’. Op de voorkant staat een foto uit een scène van de ‘Westerborkfilm’. Op die foto staan Joodse mannen en vrouwen die in de trein stappen die hen naar de vernietiging voert. De opnamen van deze film werden in 1944 in opdracht van de kampleiding gemaakt door de Joodse gevangene Rudolf Breslauer. Onder de foto staat: ‘Weggevoerd en niet meer thuisgekomen. Een mens is pas vergeten als zijn naam is vergeten.’
Sinds 2009 worden nu in Hilversum struikelstenen geplaatst voor de huizen van slachtoffers van het naziregime. In ‘Struikelstenen Hilversum 2026’ staan de namen van degenen voor wie dit jaar een struikelsteen is gelegd.
Uit Hilversum zijn ongeveer 1500 Joodse mannen, vrouwen, kinderen, oude mensen en baby’s weggevoerd. Sommigen woonden al hun hele leven in Hilversum. Anderen kwamen gevlucht uit Duitsland, toen daar de nazi’s aan de macht kwamen. Vanuit Hilversum werden ze vaak gedwongen naar Amsterdam te verhuizen.
In de brochure wordt straat voor straat, op alfabetische volgorde, beschreven waar de struikelstenen geplaatst zijn. Als ik het dunne boekje doorlees, kom ik veel aangrijpende verhalen tegen. Zoals over het lot van Jacob en Saartje Frank-Presser en hun pleegzoon Heinz Rothschild. Zij woonden op Bakkerstraat 21. Jacob is koopman in lompen. In 1937 nemen zij de vierjarige Heinz Rothschild als pleegkind in huis. Heinz is in Keulen geboren. Verder is er weinig over zijn afkomst bekend.
In 1942 wordt Hilversum ‘Jodenvrij’ gemaakt. Alle Joodse inwoners worden gedeporteerd naar Amsterdam. Ook het gezin Frank moet naar Amsterdam verhuizen. Na drie maanden worden ze naar Vught getransporteerd en op 2 juli 1943 vandaar naar Westerbork. Vier dagen later gaan ze op transport naar Sobibor. Van niemand van de 2417 mannen, vrouwen en kinderen die de lange reis maakten, is meer iets vernomen. Jacob, Saartje en de tienjarige Heinz zijn na aankomst op 9 juli in Sobibor vermoord.
De brochure geeft een indrukwekkend beeld van de Joodse families en hun namen die op de verschillende adressen gewoond hebben. Zo vind ik op Frederik van Eedenlaan 28 een bekende naam van vroeger. Daar woonden Hijman (Bob) en Martha Scholte met hun kinderen Albert en Margaretha.
Hijman (hij verandert zijn naam later in Bob) wordt in 1902 geboren in een groot gezin in Amsterdam. Bij zijn bar mitswa in de synagoge aan de Rapenburgerstraat zingt hij zo prachtig, dat de cantor hem aanraad om de opleiding tot voorzanger (chazan) in de synagoge te volgen. Zelf wil hij eigenlijk liever operazanger worden. Toch begint Hijman aan de opleiding, maar hij houdt het niet lang vol: “Je moet als voorzanger niet alleen goed kunnen zingen, je moet ook erg vroom zijn. En dat was ik niet”, zegt hij later.
Een impresario die hem hoort zingen op het seminarium brengt hem in contact met het Hollandsch Operettegezelschap, dat een jongenssopraan zoek voor een uitvoering. Zo maakt hij in 1916 zijn debuut in theater Carré in Amsterdam. Het wordt een groot succes. Tot hij de baard in de keel krijgt, treed hij op in allerlei variétéprogramma’s.
Weet u wat ik zelf nu, achteraf, misschien nog wel het liefste doe. Joodse liederen zingen op Joodse feesten en plechtigheden, met het keppeltje op.
— Bob Scholte
In 1921 trouwt Bob met Martha Monnickendam. Ze krijgen twee kinderen: Albert en Margaretha. In 1931 krijgt hij een contract als ‘huiszanger’ bij de AVRO-radio bij het orkest van Kovacs Lajos. Later blijkt dat deze dirigent al jaren een fanatieke aanhanger van de NSB was. Hij spant zich in om het AVRO-orkest te ontdoen van Joodse musici. Begin 1940 ontslaat de AVRO alle Joodse medewerkers. Voordat dit ontslag plaatsvindt, heeft Bob Scholte in 1939 zijn contract met de AVRO al beëindigd. Hij wil meer tijd hebben voor zijn optredens, onder andere in België.
In zijn jaren bij de AVRO is Bob Scholte uitgegroeid tot een van de meest geliefde zangers uit de vorige eeuw. Vanaf de jaren dertig vermaakt hij het hele land met zijn opbeurende liedjes, zoals ‘Breng eens een zonnetje onder de mensen’ en ‘Ik heb een huis met een tuintje gehuurd’.
De eerste maanden van de bezetting wordt hij min of meer ongemoeid gelaten door de bezetter. Maar in februari 1941 slaat het noodlot toe. Als Bob zijn verjaardag viert in Hilversum, is zoon Albert niet thuis. Hij is die dag in Amsterdam. Tijdens een razzia wordt hij opgepakt, samen met honderden andere Joodse mannen. Hij komt terecht in Mauthausen en op 18 oktober 1941 bezwijkt hij door uitputting en ziekte.
Dochter Margaretha wordt ook opgepakt en via Kamp Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd. Daar komt ze in 1942 om het leven.
Bobs vrouw Martha is begin 1943 in Vught ingeschreven. Ze wordt op 3 juni op transport gezet. In april 1945 komt ze om het leven in het Extern kommando Ludwigslust, een buitenkamp van Ravensbrück.
Bob Scholte belandt via Vught uiteindelijk in Auschwitz. Daar moet hij onder dwang voor de kampleiding zingen. Dat vindt hij vreselijk. Na de bevrijding van het kamp lukt het hem per trein naar Nederland te komen.
In 1950 trouwt hij opnieuw en treedt hij weer op, voornamelijk in België. Als zijn vrouw overlijdt, valt het hem steeds moeilijker om zijn vrolijke liedjes ten gehore te brengen. Hij zingt dan hoofdzakelijk nog Joodse liederen. Tot zijn overlijden in 1983.
“Weet u wat ik zelf nu, achteraf, misschien nog wel het liefste doe”, zei hij, “Joodse liederen zingen op Joodse feesten en plechtigheden, met het keppeltje op”.
Voor het huis op Frederik van Eedenlaan 28 liggen drie struikelstenen: voor Martha Monnickendam, vermoord 10.4.1945 in Ludwigslust, voor Albert Scholte, vermoord 18.10.1941 in Mauthausen en voor Margaretha Scholte, vermoord 27.8.1942 in Auschwitz.
Opdat hun namen niet vergeten worden.