De Franse schrijfster Anne Berest heeft in haar boek uit 2021 ‘De ansichtkaart: Het lot van de familie Rabinovitch’ haar indrukwekkende familiegeschiedenis beschreven. De zoektocht naar het lot van haar Joodse familie begon toen er jaren na de Tweede Wereldoorlog een raadselachtige ansichtkaart in de brievenbus viel met daarop vier namen van familieleden die in Auschwitz zijn omgekomen: Ephraïm, Emma, Noémie en Jacques.
Met hulp van haar moeder Lélia, familieleden, een privédetective en vele anderen begint ze aan een zoektocht naar het lot van de familie Rabinovitch: hun vlucht uit Rusland na de revolutie, hun reis naar Letland, Palestina en Parijs.
De zoektocht begint in Rusland. Tijdens Pesach 1919 is de hele familie bij elkaar. Nachman, de vader van het gezin, waarschuwt zijn kinderen dat het voor Joden niet veilig meer is in Rusland. Ze moeten vluchten en naar het [toenmalige] Palestina gaan: “Knoop dit in jullie oren: op een dag willen ze ons hier allemaal dood zien”, zegt de vader.
Nachman en zijn vrouw emigreren naar Israël en gaan daar sinaasappels kweken. De kinderen zien het gevaar niet en lachen hem uit. Maar ook zij moeten al spoedig daarna telkens vluchten vanwege het besmettelijke virus: het antisemitisme. Uiteindelijk komen de grootouders van Anne Berest in Parijs terecht. Daar wordt het hele gezin Ephraïm, Emma, Noémie en Jacques opgepakt. En vermoord in de concentratiekampen. Alleen de oudste dochter Myriam, de grootmoeder van Anne, overleeft de oorlog.
Dochter van overlevenden
De schrijfster is niet religieus opgevoed, maar door haar zoektocht naar haar wortels beseft ze steeds meer dat ze één is met het Joodse volk. Generaties lang is de familie achtervolgd door de welhaast onuitroeibare besmettelijke ziekte: het antisemitisme. Hoewel ze denkt dat het antisemitisme geen rol meer speelt, komt ze het ook in de eenentwintigste eeuw zelf in haar gezin tegen. Haar zesjarige dochtertje Clara ondervindt uitsluiting op school als ze niet met de anderen mee mag spelen: “Wij houden hier niet van Joden.”
Anne schrijft in ‘De ansichtkaart’: “In de cellen van mijn DNA staat een herinnering aan zo’n groot gevaar gegrift dat het soms voelt alsof ik dat echt heb beleefd of moet herbeleven. De dood lijkt altijd ophanden. Ik heb het gevoel een prooi te zijn. Ik voel me vaak verslagen, vernietigd.” Ze beseft: Ik ben een dochter en kleindochter van overlevenden.
Grootmoeder Myriam, moeder Lélia, dochter Anne, kleindochter Clara: ze hebben allemaal de haat van het antisemitisme ervaren. Het gaat door de geslachten heen en heeft invloed op hun leven. Nog steeds.
“In de cellen van mijn DNA staat een herinnering aan zo’n groot gevaar gegrift dat het soms voelt alsof ik dat echt heb beleefd of moet herbeleven. De dood lijkt altijd ophanden.”
— Anne Berest
Hulp aan de generaties
Uitsluiting en antisemitisme werken door in het leven van veel Joodse mensen, ook in Nederland. Daarom is in 2010 de Stichting Zikna in het leven geroepen om Joden pastorale en geestelijke hulp te bieden. Haar doelgroep bestaat voor een belangrijk deel uit Joden van alle leeftijden met chronische zieken en cliënten met eerste-, tweede- of derde generatie oorlogsproblematiek.
Binnen Stichting Zikna is rabbijn Shmuel Katz de spil van het pastorale werk. Hij staat cliënten van Zikna bij door hen vanuit de Joodse levensvisie de hand te reiken en praktisch te helpen waar nodig.
Russensjoel
Samen met rabbijn Katz organiseert Christenen voor Israël al vele jaren rondleidingen door Joods Amsterdam. We verzamelen ons eerst in de kleine ‘Russische’ synagoge. Daar spreekt rabbijn Katz vanuit zijn persoonlijke leven over de eeuwenlange geschiedenis van het Jodendom in Nederland. Hij vertelt over zijn eigen familie, van wie velen in de Holocaust vermoord zijn. Hij spreekt erover, niet met verbittering, maar vol liefde en hoop.
“Ik ben mijn ouders dankbaar dat ze mij geleerd hebben dat er in de wildernis waarin we leven altijd een weg naar God is. We hebben verdriet in ons hart, maar we proberen weer te bouwen en met liefde en geloof een pad naar God te vinden. Daar is plek voor iedereen. We vieren de Joodse feesten en omarmen het Jodendom. Door liefde geven we het geloof door.”“Willen we door de Allerhoogste gezegend worden en naast het Joodse volk staan in geloof en vertrouwen in de God van Israël? Zo niet, dan zullen we de gevolgen daarvan ervaren.”
Leeft Iesie nog?
Als we deze keer op een mooie, zonnige middag in april 2026 met een groep van twintig personen in de synagoge bij elkaar zijn, begint rabbijn Katz zijn lezing met een ontroerend gedicht van Jaap Meijer:
Oproep
iesie de jong was negen jaar oud
hij zat in de derde klas
tot zijn eigenaardigheden behoorde
dat hij
als er gezongen werd
boven de klas uitschreeuwde
het moet omstreeks juni 1941
zijn geweest
dat dit weer eens
gebeurde
zei de juf:
dat moet je niet meer doen
iesie
anders zal het mij niet spijten
dat je straks niet meer
naar school mag gaan
leeft iesie nog
leeft die juffrouw nog
Ook Iesie werd gedood door het besmettelijke virus, het antisemitisme, samen met zes miljoen andere Joden. Dezer dagen horen we van het besmettelijke Hantavirus. Enkele mensen zijn daardoor al overleden. Het virus, dat antisemitisme/Jodenhaat heet, besmet in onze tijd miljoenen mensen. Niemand sterft eraan, maar de Allerhoogste waarschuwt ons: “Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten van de aardbodem gezegend worden” (Genesis 12:3).
Willen we door de Allerhoogste gezegend worden en naast het Joodse volk staan in geloof en vertrouwen in de God van Israël? Zo niet, dan zullen we de gevolgen daarvan ervaren.
“Kiest dan heden wie gij dienen zult!” (Jozua 24:15)