Het is binnenkort Joods nieuwjaar. Vrijdagavond 11 september tot en met zondagavond 13 september vieren wij Rosj Hasjana. Wij tellen de jaren vanaf de schepping van de wereld. Dat was 5787 jaar geleden. Rosj Hasjana was de zesde scheppingsdag, waarop Adam en Eva geschapen werden. Zij mochten niet eten van de boom van goed en kwaad. Toch deden zij dit. Zij kwamen onmiddellijk tot inkeer.
Dit is in het kort ook de wijze waarop wij het Joods nieuwjaar vieren. Niet met appelflappen of vuurwerk maar met nadenken over het afgelopen jaar, rekening en verantwoording afleggen en duidelijk beslissen niet in dezelfde fouten te vervallen als het afgelopen jaar. Vooral hier in Israël wordt dat sterk gevoeld.
Wij vragen G’d en de medemens om vergiffenis en moeten openbaar spijt betuigen maar doen dit gelukkig met z’n allen tegelijk zodat niemand beschaamd hoeft te staan. Wij spreken spijt uit over vreselijke dingen maar doen dit omdat we ons ook als gemeenschap collectief verantwoordelijk voelen voor de echte misdadigers.
De Thoralezing in de synagoge begeleidt het Joodse jaar. Hoe dichter we bij het Joods nieuwjaar en Jom Kippoer (Grote Verzoendag) komen, hoe serieuzer onze opdrachten worden. Tot nu begrepen we, dat we vooral moesten luisteren: Sjema Jisraeel betekent “Hoor, o Israël”.
Zie!
De afgelopen week lazen we Deuteronomium 11:26. Mozes opent met een verrassend persoonlijk woord: “Zie!” Mozes legt Israël niet alleen zegen en vloek voor; hij vraagt iedere luisteraar om werkelijk te kijken. Kort daarna wordt de keuze verbonden met twee bergen, midden in het Beloofde Land: de berg Gerizim voor de zegen en de berg Ebal voor de vloek. In Israël wordt het heilige zo voelbaar, dat het meer op zien lijkt dan op horen. Wat we zien maakt veel meer indruk dan wat wij horen.
“Zie ik leg u voor zegen en vloek” (Deuteronomium 11:26). Die opening bevat een diepe boodschap. Mozes spreekt de gemeenschap als geheel aan, maar het eerste woord staat in het enkelvoud. Ieder mens moet zelf zien, zelf kiezen en zelf verantwoordelijkheid dragen. Tegelijk beïnvloedt die individuele keuze de gemeenschap. De kwaliteit van een volk wordt uiteindelijk opgebouwd uit de keuzes van afzonderlijke mensen.
“Mozes zegt als het ware: kijk naar mij. Een mens heeft voorbeelden nodig om geestelijk te kunnen groeien.”
Rabbi Efraim Luntschits (achttiende eeuw) merkt op dat Mozes hier bewust het werkwoord “zien” gebruikt. Geloof wordt vaak doorgegeven via woorden, onderwijs en gehoorzaamheid. Toch vraagt Mozes nu om iets anders: kijk!
Dat is opmerkelijk binnen de Bijbelse godsdienst. Het geloof in de G’d van Israël is geen geloof in een beeld dat men kan vervaardigen. De Tien Geboden waarschuwen juist tegen afgodsbeelden en tegen het vereenzelvigen van G’d met een afbeelding van iets in de hemel, op aarde of in de zee. G’d kan niet in aardse vormen worden gevangen.
Voorbeelden
Wat moet Israël dan zien? Volgens Rabbi Jakob Asjeri (veertiende eeuw) zegt Mozes als het ware: kijk naar mij. Een mens heeft voorbeelden nodig. Wie geestelijk wil groeien, heeft niet alleen kennis nodig, maar ook mensen bij wie hij kan zien hoe geloof, gehoorzaamheid, gebed en heiligheid in het dagelijkse leven gestalte krijgen en een gezegende persoonlijkheid voortbrengen.
Dat maakt de oproep van Mozes bijzonder krachtig. Hij spreekt niet als iemand die alleen de theorie kent. Hij heeft zelf aan het hof van de farao geleefd en kende daardoor rijkdom, macht en prestige. Toch koos hij uiteindelijk voor een leven waarin G’d en Zijn opdracht centraal stonden.
Daarom kan zijn leven als antwoord dienen op een veelgehoorde tegenwerping. Iemand kan zeggen: geestelijke mensen prijzen eenvoud en toewijding omdat zij de aantrekkingskracht van rijkdom en luxe nooit werkelijk hebben ervaren.
Mozes kan dat bezwaar weerleggen. Hij kende de schittering van het hof en heeft tegelijk ervaren wat het betekent om langdurig alleen met G’d te zijn. Zijn boodschap is daarom geen theorie maar een doorleefde overtuiging.
“Alleen door horen en zien zijn wij in staat de ware G’dsvrucht te bereiken. Dat wordt ons duidelijk gemaakt bij het einde van het oude Joodse jaar en het begin van het nieuwe.”
Keuze
Rabbi Chaim Atar (achttiende eeuw) verdiept dit thema door te wijzen op de voortdurende spanning tussen geestelijke verlangens en aardse begeerten. De mens moet steeds weer kiezen, elke dag opnieuw. Willen wij steeds meer bezit, comfort en amusement, of willen wij ons leven openen voor G’d?
Het gaat daarbij niet om een verachting van de geschapen wereld. De Bijbel verbiedt vreugde, schoonheid en materiële zegen absoluut niet. Het probleem ontstaat wanneer deze dingen het hoogste doel worden. Dan verliest de mens zijn innerlijke richting. Geestelijke groei vraagt daarom om leren onderscheiden: wat is middel en wat is doel?
Een werkelijk geestelijk leven blijft bovendien niet verborgen. Wie jarenlang leeft vanuit gebed, G’ds geboden, liefde voor de naaste, zelfbeheersing en verantwoordelijkheid, verandert als persoon. Het geloof krijgt een duidelijk gezicht.
Zichtbaar
Daarom kunnen geestelijke leiders voor anderen een vorm van “zien” worden. Hun leven kan iets laten ervaren van G’ds nabijheid. Geloof wordt overtuigend wanneer het zichtbaar wordt in het dagelijkse leven. Mensen luisteren misschien naar een preek, maar zij letten ook op de manier waarop gelovigen omgaan met geld, macht, vergeving, lijden, vreemdelingen, familie en vijanden. Een geloof dat nooit zichtbaar wordt in gedrag, verliest gemakkelijk zijn geloofwaardigheid.
Daarom eist Mozes op het eind van zijn leven ook zien. Alleen door horen en zien zijn wij in staat de ware G’dsvrucht te bereiken. Dat was het doel van beide hoge feestdagen en dit wordt ons duidelijk gemaakt bij het einde van het oude Joodse jaar en het begin van het nieuwe.
Wie zo leert kijken, ontdekt dat zien zelf een vorm van geloof kan worden. En precies daar begint de zegen: wanneer onze ogen veranderen, verandert ook de manier waarop wij de wereld, ons leven en G’ds aanwezigheid daarin ervaren.