Sluiten

Zoeken.

Artikelen

Activiteiten

Kennisbank

Podcasts

Projecten

Publicaties

Videos

Overig

Joodse wereld

Terug naar overzicht

Wanneer plannen weer veranderen

Door Yoel Schukkmann - 

2 juni 2026

F230810MG13 (1)

Joodse gezinnen genieten van hun vakantie in het noorden van Israël. | Foto: Flash90

Er zijn momenten waarop een mens pas merkt hoe moe hij werkelijk is, wanneer hij eindelijk probeert stil te staan. De afgelopen maanden waren druk. Heel druk. Al van vóór Poerim voelde het alsof het ene meteen overging in het andere.

Dit artikel werd vorige week geschreven.

Weer iets te regelen, weer een telefoontje, weer een simcha, een vreugdevolle levensgebeurtenis. Een bruiloft te organiseren, of een bris milah (besnijdenis), een aantal sheva brachos; de feestelijke maaltijden die in de bruiloftsweek worden gemaakt. En achter elke viering zitten altijd de details die achter de schermen geregeld moeten worden. Eten, muziek, plaatsen, vervoer, serveerders, gasten uitnodigen, telefoontjes, last-minute veranderingen, en het stille werk om ervoor te zorgen dat een behoeftige familie haar belangrijke momenten in het leven met waardigheid kan vieren.

Toen kwam Poerim, met zijn eigen heilige chaos. Daarna moesten onze jesjiva bochurim (jongens) naar huis reizen om Pesach bij hun families te kunnen zijn. Maar onverwacht liep hun reisroute via Egypte, zonder koosjer eten. Natuurlijk konden wij hen niet zo laten reizen. Dus ongeveer een week vóór Pesach moesten we ervoor zorgen dat zij iets hadden om mee te nemen. En toen kwam Pesach zelf, met alle voorbereidingen, alle noden, en alle families die ook hulp nodig hadden. Daarbovenop waren er ook de paar bochurim die achterbleven, die moesten weten dat ook zij een plek zouden hebben om te eten. Toen kwam Sjavoe’ot, de tijd van het ontvangen van de Thora, en opnieuw ging onze tafel wijder open. Het huis raakte vol, de gewone tafel was niet meer genoeg, en we moesten een tweede tafel openen.

En tussen dit alles door, Sjabbat na Sjabbat, tientallen gasten, jesjiva-studenten. Jongens van sterkere religieuze achtergronden, mensen van “minder religieuze” achtergronden, mensen die precies weten waar zij thuishoren, en mensen die hun plek nog proberen te vinden.

Ik klaag niet, G-d verhoedde. Het is wat wij noemen een “zechus”, een verdienste, om dit alles te mogen doen. Maar zelfs dat kan een mens moe maken. En soms moet een echtgenoot naar zijn vrouw kijken, en beseffen dat ook zij een beetje lucht nodig heeft. Dus dacht ik dat misschien nu, na al deze maanden, het tijd was voor een kleine pauze. Een lang weekend. Een kort verblijf in het noorden. De eerste “vakantie” in letterlijk tien jaar.

Eigenlijk kunnen we het ons niet veroorloven. Maar ik heb een vriend in Tzfat (Safed), een van de heilige steden van het land Israël, vlak bij Meron, en ik dacht dat we misschien via hem een eenvoudige verblijfplaats zouden kunnen vinden. Geen luxe vakantie zoals de wereld over vakanties spreekt. Niets bijzonders. Gewoon een beetje rust. Een paar dagen waarin mijn vrouw niet hoeft te denken aan de volgende pan, de volgende gast, de volgende lijst, de volgende noodsituatie, of het volgende pekele met zelfgebakken cakes en koekjes dat klaargemaakt moet worden. Een paar dagen stilte, frisse lucht, een beetje rust, en de kans om te ademen.

Maar in dit land blijft niets lang hetzelfde. Een mens kan ’s ochtends plannen maken, en tegen de avond is het hele plaatje alweer veranderd. Eén bericht, één veiligheidsbeoordeling, één nieuwe instructie van Pikoed HaOref (Home Front Command) en plotseling wordt de stille berglucht van het noorden deel van een veel grotere, zwaardere werkelijkheid.

Juist toen wij dachten aan een paar dagen in Tzfat, kondigde het leger strengere beperkingen aan voor de noordelijke grensgemeenschappen. In het gebied van de Confrontatie Lijn, en zelfs in plaatsen zoals Meron, Bar Yochai, Or HaGanuz en Safsufa, werden bijeenkomsten beperkt tot vijftig mensen buiten en tweehonderd mensen binnen. En plotseling werd mijn plan van “laat ons gewoon een paar dagen ademhalen” opnieuw onzeker. In het begin voelde het als een tegenslag. Een teleurstelling van: “Alsjeblieft Hashem, zelfs dit? Zelfs deze kleine pauze?” Maar toen dacht ik aan de Thora-lezing van deze week.

“Wij weten en geloven dat alles wat G-d doet, ten goede is. Maar wij zien dat goede niet altijd, en toch moeten we proberen de gunst erin te zien… of op z’n minst geloven dat die er is, ook wanneer wij het nog niet kunnen zien.”

Onze Geleerden zeggen in de midrash (samenstelling van Joodse overleveringen) over de lezing van deze week: “Het menselijk oog heeft zowel wit als zwart, en toch ziet een mens niet door het wit van het oog, maar door het zwart.” Wij verwachten vaak dat wij G-d zullen zien vanuit het “witte” deel, vanuit de heldere delen van het leven. Vanuit de dingen waarin wij onze inspanningen hebben gelegd, zelfs in onze Avodat Hashem (ons dienen van G-d), een feest dat goed uitkomt, een Yom Tov die mooi samenkomt, een plan dat eindelijk lukt.

Maar de Sifsei Tzadik, rabbijn Pinchas Menachem Elazar Justman (1848-1920), schrijft dat de waarheid juist andersom is. Een mens ziet niet vanuit het wit van het oog, maar vanuit het zwart. Soms zien wij het helderst juist vanuit het shachor, vanuit de donkerte. Daar, in de plek die moeilijk en onduidelijk aanvoelt, kan een mens groeien en dichter bij G-d komen. Hashem heeft onze ohr, ons licht, niet nodig. Hij kan ons ook vinden midden in het donker.

En misschien is dit ook deel van de kreet van Moshe (Mozes) later in de Thora-lezing van deze week. Wanneer de Israëlieten beginnen te klagen, lezen we dat Moshe boos wordt en zich tot G-d wendt en vraagt: “Waarom heb ik geen chein - gunst - gevonden in Uw ogen?” (Numeri 11:11). Wat Moshe vroeg, was misschien: “Waarom kan ik dat punt van chein niet zien die Hashem met Zijn ogen wel ziet? Waar is het punt van gunst in deze gebeurtenis, dat bij U zichtbaar is, maar voor mij nog verborgen blijft?” En misschien geldt hetzelfde voor de gebeurtenissen waarin wij ons bevinden. Wij weten en geloven dat alles wat G-d doet, ten goede is. Maar wij zien dat goede niet altijd, en toch moeten we proberen de gunst erin te zien… of op z’n minst geloven dat die er is, ook wanneer wij het nog niet kunnen zien.

En daarna gaat de Thora-lezing van deze week verder met de reizen van het Joodse volk in de woestijn: “Op bevel van Hashem rustten zij, en op bevel van Hashem reisden zij” (Numeri 9:20). Ze trokken niet verder omdat het weer goed uitkwam, en ze rustten niet omdat het schema prettig was. Ze reisden wanneer Hashem hun zei te reizen, en ze bleven wanneer Hashem hun zei te blijven. En de Thora herhaalt het telkens opnieuw. Soms bleef de wolk alleen van de avond tot de ochtend. Soms bleef zij een dag en een nacht. Soms twee dagen. Soms een maand. Soms een jaar.

Stel je voor… je hebt eindelijk uitgepakt in de woestijn. De kinderen zijn gesetteld. De tent staat. De paar spullen liggen op hun plaats. En dan, plotseling, trekt de wolk op. En soms was het omgekeerd. Men was klaar om te vertrekken. Iedereen had zich al voorbereid op de volgende reis. De familie was klaar, alles was ingepakt, en iedereen wilde verder. En toen bewoog de wolk niet. Niet vandaag. Nog niet. Blijf. Ook dat was “op bevel van Hashem”.

Als religieuze Joden zeggen wij de woorden “im yirtzeh Hashem” (als het G-ds wil is) zo vaak: “Ik kom morgen, im yirtzeh Hashem.” “We gaan naar die-en-die plaats, im yirtzeh Hashem.”
“We zullen het redden, be’ezrat Hashem” (met G-ds hulp).

“Soms zegt G-d: 'Ik weet dat je wilde gaan. Maar voor nu, blijf.' En misschien is dat de les van deze week. Wij hebben geen controle over de reis. Maar we hebben wel controle over de vraag of we leven met bitterheid of met emoena, geloof.”

Maar soms vraagt G-d ons of wij het werkelijk menen. Het is gemakkelijk om “im yirtzeh Hashem” te zeggen wanneer alles makkelijk is en goed uitkomt. Het is moeilijker om het te zeggen wanneer het plan verandert. Gisteren nog zei ik: “Voor Shabbos zijn we waarschijnlijk in het noorden, im yirtzeh Hashem.” En “Be’ezras Hashem zullen we wat rust hebben na maanden van drukte.” Maar als Hashem zegt, “niet nu” dan is ook dat: “op bevel van Hashem rustten zij.”

Soms is de test om te reizen wanneer men wil rusten. En soms is de test om te blijven waar men is, terwijl het hart zijn koffers al begon te pakken. De Sfas Emes, rebbe Yehuda Aryeh Leib Alter (1847-1905), schrijft over de verzen: “Wanneer de aron (ark) verder trok” en “wanneer hij rustte, zei hij” (Numeri 10:35-36) dat er een avodah, een dienst van G-d, is in het reizen en in het rusten. Dezelfde ark had een moment van beweging en een moment van rust. Er is een tijd waarin een mens moet gaan. En er is een tijd waarin ons wordt gezegd te blijven. En beide zijn “op bevel van Hashem”.

Natuurlijk is dat niet altijd gemakkelijk te aanvaarden. Want een mens denkt dat hij weet wat hij nodig heeft. Hij denkt, “nu moet ik weg.” Nu heb ik stilte nodig. Nu heeft mijn vrouw een pauze nodig. Nu moet het huis een paar dagen dicht.

En soms is dat allemaal waar. Maar de wolk beweegt niet altijd volgens onze vermoeidheid of gevoelens. Soms zegt G-d: “Ik weet dat je wilde gaan. Maar voor nu, blijf.” En misschien is dat de les van deze week. Wij hebben geen controle over de wolk. Wij hebben geen controle over de reis, en we hebben geen controle over de vraag of de weg naar het noorden open of dichtgaat. Maar we hebben wel controle over de vraag of we leven met bitterheid of met emoena, geloof. We hebben controle over de vraag of wij elk veranderd plan veranderen in nog een klacht, of dat wij het veranderen in aanvaarding van G-ds wil en vertrouwen dat alles wat Hij doet goed is.

Wij mogen moe zijn. Een mens mag rust nodig hebben. Een vrouw mag een pauze nodig hebben. Een man mag teleurgesteld zijn wanneer een klein, langverwacht plan uit elkaar valt. Maar dan heft hij zijn ogen op en zegt: “Ribono Shel Olam (meester van het Universum), ik dacht dat wij moesten gaan. Maar nu vraagt U ons om te blijven... en wij zullen uw bevel navolgen.” Dus wanneer wij kunnen gaan, zullen wij - im yirtzeh Hashem - gaan. En als wij niet kunnen gaan, zullen wij be’ezrat Hashem, blijven. Voor nu lijkt het er dus op dat het noorden zal moeten wachten. En deze Shabbos zullen wij, indien G-ds wil, opnieuw gasten hebben.

Het zijn misschien niet de rustige paar dagen die wij ons hadden voorgesteld. Het is ook niet de frisse lucht van het noorden, waarvan ik had gehoopt dat die mijn vrouw eindelijk even ruimte zou geven om adem te halen. Maar misschien ligt ook hierin een les. Als Hashem ons voor nu thuis heeft gehouden, dan is er misschien nog iemand die een plek aan onze tafel moet vinden. Misschien is er nog iemand die moet voelen dat hij niet alleen is.

En misschien is de zaak nu niet om te doen alsof wij niet moe zijn, en ook niet om te doen alsof die rust niet nodig is, maar om te aanvaarden dat ten minste voor deze Sjabbat, de wolk niet bewogen heeft. Dus zullen wij blijven. Wij zullen onze deur weer openen, onze tafeldekken zoals altijd, en Hashem vragen om ons de kracht te geven om het met een vol hart te kunnen blijven doen.

Yoel Shukkmann

De auteur

Yoel Schukkmann

Yoel Schukkmann groeide op in Nederland en maakt deel uit van een chassidische gemeenschap, een stroming binnen het ultra-orthodoxe Jodendom. In zijn tienerjaren verhuisde hij naar Israël om in...

Doneren
Abonneren
Agenda