Vanavond begint Tisha Be’Av, de negende dag van de maand Av.
Er is een dag in het Joodse jaar waarop wij niet weglopen van pijn. We zitten op lage krukjes. We zeggen Kinnos (klaagliederen) en we herinneren ons Jeruzalem en de Heilige Tempel. We herinneren ons een vuur dat niet alleen stenen en cederhout verbrandde, maar het hart van ons volk.
Onze Geleerden vertellen ons dat er vijf tragedies plaatsvonden op de Negende Av: het decreet dat de generatie van de woestijn het Land Israël niet zou binnengaan, de verwoesting van de eerste Heilige Tempel, de verwoesting van de tweede Tempel, de val van Beitar, en het omploegen van Jeruzalem (Mishna Taanit 4:6).
Nog een reden
In onze familie zijn deze dagen in zekere zin een week van dubbele rouw. Het zijn niet alleen de Negen Dagen die leiden naar de Negende Av, de verdrietigste dag van de Joodse kalender. Ze leiden ook naar de achtste Av, de yahrzeit (sterfdag) van mijn schoonvader, rabbijn Aryeh Litman, van gezegende nagedachtenis.
En wanneer ik in deze dagen aan hem denk, denk ik niet alleen aan een persoonlijk verlies. Ik denk aan een mens die ons, zonder toespraken, heeft geleerd wat het betekent om na een churban, een vernietiging, te blijven bouwen. Hoewel hij in zijn leven veel had meegemaakt, had hij een echte mesirus nefesh (zelfopoffering) voor het leren van Thora. Elke ochtend, om vijf uur, wanneer de wereld nog stil was en de meeste mensen nog in slaap gewikkeld lagen, zat hij al in het beis medrash (leerhuis) met een Gemara (Talmoedtrakaat), een Midrash of een ander sefer (religieus-Joods boek). Vóór het ochtendgebed, vóór het eerste geluid van de dag, vóór werk en verantwoordelijkheden op de deur kwamen kloppen, gaf hij zijn eerste kracht van de ochtend aan het leren van G-ds heilige Thora.
En na zijn werk, wanneer veel mannen moe thuiskomen en op zoek zijn naar rust, kwam hij thuis en ging hij meteen weer terug naar de Thora. Dit was zijn leven, en dit is het leven van een Jood. Torah hi chayenu, Thora is ons leven. Een Jood komt thuis en gaat opnieuw de wereld van onze geliefde Thora binnen. Zelfs in de laatste maanden van zijn leven, op zijn ziekbed, toen het lichaam zwak was en de krachten hem al verlieten, lag er nog steeds altijd een sefer bij hem. Zelfs in het ziekenhuis, terwijl hij zowel chemo als immunotherapie kreeg, zochten zijn ogen nog altijd naar woorden van Thora. Het hart wilde nog altijd leren.
Onze Geleerden zeggen dat vanaf de dag dat de Heilige Tempel werd verwoest, de Eeuwige in Zijn wereld de vier amos (ellen) van halacha (de Joodse wet) heeft. De Tempel is er niet. De Mizbeach, het altaar, is er niet, en de Kohaniem staan niet in hun heilige Tempeldienst. Maar een Jood buigt zich om vijf uur ’s ochtends over een Gemara, en daar, binnen die vier ellen, rust de Shechina, G-ds heilige aanwezigheid.
De profeet zegt: “Ik werd voor hen een mikdash me’at (een klein heiligdom)” (Ezechiël 11:16). Hashem beloofde dat Hij zelfs in ballingschap voor ons een kleine mikdash, een heiligdom, wordt. De Joodse Geleerden in de Talmoed (Megillah 29a) begrepen dit als een verwijzing naar de synagogen en leerhuizen van het Joodse volk. Dat betekent dat wij niet alleen rouwen om wat er ooit stond. Aan ons wordt ook gevraagd wat wij doen met de kleine heiligdommen die wij nog steeds in handen hebben.
Onze Geleerden leren ons dat iedere generatie waarin de tempel niet is herbouwd, wordt beschouwd alsof het in haar dagen is verwoest.
Wat
nu?
En waar begint een mens? Met één steen. Een zachter woord in huis. Een beetje minder boosheid. Minder jaloezie. Een beetje meer geduld voor een ander. Een vaste tijd in Thora-leren die wordt vastgehouden, ook wanneer men moe is. Een kind dat zijn vader na een lange dag een sefer ziet openen. Een moeder die het huis verlicht met zuiver geloof. Een jonge man die zijn mond sluit op het moment dat hij eigenlijk wilde antwoorden. Een paar munten tzedakah, liefdadigheid, gegeven met een warme glimlach. Een telefoontje naar iemand die eenzaam is. Een klein stukje Kavod Shamayim (eer van de Hemel, teruggebracht in de wereld).
Zo hebben wij al die jaren overleefd. Wij verloren het grote Huis, en toch
bouwden eenvoudige Joden in elke generatie kleine huizen voor Hashem. Een
shtender, het kleine lessenaar waarvan wij leren, stil in de hoek. Een keuken
vol chessed, liefdadigheid. Een leerhuis vóór zonsopgang. Een sefer op een
ziekbed. Een huis waar kinderen zien dat Thora geen extra onderdeel van het
leven is, maar het leven zelf.