Sluiten

Zoeken.

Artikelen

Activiteiten

Kennisbank

Podcasts

Projecten

Publicaties

Videos

Overig

Vergeet mij niet uit te nodigen!

Door Yoel Schukkmann - 

8 juli 2026

Maor, Yakir, rabbijn Englard

Fotocredit: Yakir Asaraf

We horen tegenwoordig zoveel, soms zelfs in mijn eigen stukken, over de kloof tussen de seculiere en charedi (ultra-orthodoxe) gemeenschappen in het Land Israël. En ja, die spanningen zijn bestaan. De discussies zijn scherp. Er zijn diepe meningsverschillen over de fundamenten van het Joodse leven; over Thora, over militaire dienst, over het karakter van het land, over verantwoordelijkheid en over hoe de toekomst van het Joodse volk eruit zou moeten zien.

Maar er is een idee van de Boyaner Rebbe, rabbijn Mordechai Shlomo Friedman (1891-1971), dat wij altijd zouden moeten onthouden: “Het is mogelijk om chilukei deiyos te hebben (verschillen van mening). Maar er mag nooit pirud halevavos zijn (een scheiding tussen harten).” Er kunnen verschillende meningen zijn, verschillende gemeenschappen, verschillende manieren van leven, kleding, ideologieën, en zelfs verschillende werelden. Maar ons hart mag nooit vervreemden van een ander hart. En soms, midden in al het lawaai, stuurt Hashem ons een voorbeeld om ons daaraan te herinneren. Dit voorbeeld begon in Meron in 2021.

Een onvoorstelbaar verlies

Op Lag BaOmer dat jaar werd de Joodse wereld geschokt door de vreselijke tragedie in Meron. Klik hier om meer hierover te lezen. Vijfenveertig mensen verloren hun leven die dag. Vaders. Zonen. Yeshiva studenten en kinderen. Onder hen waren twee broertjes van de Englard familie uit Jeruzalem: Moshe (14) en Yehoshua (9).

Denk daar eens aan. Twee kinderen uit één gezin.
Er zijn verliezen die de mond niet kan uitleggen. Er zijn momenten waarop alle gewone woorden te klein worden. Een vader en moeder verliezen twee zonen in één nacht... wat kan iemand dan nog zeggen?

In jeans het rouwhuis binnen

En toch voelden tijdens de shiva, de rouwperiode van zeven dagen, twee jonge seculiere Israëli’s, Yakir Asaraf en zijn goede vriend Maor, dat deze tragedie niet ver van hen af stond, ook al kwamen zij uit een totaal andere achtergrond. Zij kwamen niet uit de chassidische wereld. Ze kenden haar straten niet en haar taal niet, en ze waren niet gewend om een huis binnen te lopen dat gevuld was met chassidim, Jiddish, lange zwarte jassen, lange baarden en peiyos (pijpenkrullen). Maar één ding voelden zij heel duidelijk: dit waren hun broeders.

Dus gingen zij naar Jeruzalem en liepen ze het shiva huis binnen in jeans en t-shirts, duidelijk anders dan de rest, ongemakkelijk en onzeker, niet precies wetend wat ze met zichzelf aan moesten. Maar in plaats van hen als vreemdelingen te behandelen, maakte men plaats voor hen. En binnen enkele ogenblikken kregen ze een plek om te zitten, recht tegenover de rouwende vader, rabbijn Yitzchak Menachem Mendel Englard.

Hij zag hen, begreep meteen dat zij uit een andere wereld kwamen, en stopte met Jiddisch spreken en begon met hen in het Hebreeuws te praten. “Ik ben blij dat jullie gekomen zijn,” zei hij tegen hen. “Jullie geven mij bemoediging.”

Een vader die net twee kinderen had begraven keek naar twee seculiere jonge mannen die hem niet eens kenden, en zei bemoedigd te worden door hen. Niet vanwege iets wat zij hadden gezegd of omdat zij begrepen wat zo’n verlies betekent. Maar simpelweg omdat zij waren gekomen. En zij waren gekomen omdat ze Joods waren.

Vergeet mij niet uit te nodigen

Onze geleerden leren ons dat het Joodse volk te herkennen is aan drie aangeboren eigenschappen; barmhartigheid, bescheidenheid en het doen van goede daden. Soms liggen deze eigenschappen verborgen onder vele lagen; cultuur, politiek, boosheid, misverstand en de pijn van een verdeelde samenleving. Maar dan gebeurt er iets. Een Jood hoort dat een andere Jood rouwt, en zonder helemaal te weten waarom, gaat hij. Dat is wat rabbijn Englard in hen zag. En soms is juist die goedheid het antwoord dat een gebroken hart nodig heeft.

Rabbijn Englard vertelde hun dat zij en hij geraakt waren door hetzelfde verlies. Hij vertelde hun dat het niet uitmaakt of een Jood seculier of ultra-orthodox is, “we zijn allemaal Joden”. En toen voegde hij eraan toe: “Zoals jullie mij zijn komen troosten, zo wil ik ook op jullie simches (feestelijke levensgebeurtenissen) zijn. Vergeet niet mij uit te nodigen.” In de meeste gevallen hadden zulke woorden een mooie zin kunnen blijven, uitgesproken in een rouwhuis.


"Het is mogelijk om verschillen van mening te hebben. Maar er mag nooit een scheiding tussen harten zijn."

De belofte nagekomen

Maar echte woorden verdwijnen niet. Niet lang daarna maakten rabbijn Englard en zijn familie een bris (besnijdenis) voor een nieuwe zoon. Yakir en Maor kwamen om in dit feest te delen. De eerste ontmoeting was in rouw geweest; deze keer ontmoetten zij elkaar in vreugde. Destijds schreef ik over hierover en dacht ik misschien dat het daar geëindigd was.

Maar ik had het mis. De jaren gingen voorbij, en het leven ging verder. Kinderen groeien op. Vrienden trouwen. Oude beloften worden soms vergeten, simpelweg omdat de wereld verdergaat en mensen terugkeren naar hun eigen leven. Maar sommige beloften mogen niet vergeten worden. En zo stond Maor eerder deze maand onder de choepa. Hij trouwde met de liefde van zijn leven.

Een jonge man die een nieuw Joods huis begon, omringd door vrienden en familie, muziek en dans, en de vreugde van een Joodse bruiloft.
Onder degenen die de eer kregen om de Sheva Berachos te zeggen, de zeven zegeningen die onder de choepa worden uitgesproken, was rabbijn Englard.

Daar stond hij, de chassidische rabbijn met zijn baard, peiyos en chassidische hoed, op een seculiere bruiloft. Voor sommige gasten kan het eruit hebben gezien als een gewoon moment op een Joodse bruiloft. Nog een geëerde rabbijn die werd opgeroepen voor een zegenspreuk. Hij stond op, zei de eerste en tweede brachos (zegeningen) en maakte daarna weer plaats voor de volgende. Maar gewoon was het helemaal niet. Dit was een belofte uit een rouwhuis die onder een choepa werd vervuld. Dezelfde vader die ooit gebroken had gezeten na het verlies van twee van zijn geliefde kinderen, stond nu naast Maor en zegende hem terwijl hij een nieuw Joods huis bouwde. Maar rabbijn Englard kwam niet alleen. Hij kwam met zijn Rebbetzin, zijn vrouw. Zij verheugden zich met Maor. Zij zegenden hem, en hij danste met hem.

En Yakir, de beste vriend van de bruidegom, die er vanaf het begin bij was geweest, vertelde het hele verhaal onder de choepa. De gasten luisterden. Seculiere Joden, religieuze Joden, mensen uit verschillende werelden en achtergronden. En toen het verhaal voorbij was, kwamen mensen naar rabbijn Englard toe. Zij schudden zijn hand, omhelsden hem en bedankten hem. Want iedereen begreep dat zij zojuist iets hadden gezien dat veel groter was dan een eerbetoon op een bruiloft. Zij hadden de waarheid van het Joodse volk gezien. Echte achdoet. Echte broederschap.

Broederschap geboren in een rouwend huis. Broederschap getest door tijd en door maatschappelijke scheidslijnen. Broederschap die verschillen niet uitwiste, die niet deed alsof iedereen hetzelfde denkt, die de charedi niet minder charedi maakte en de seculiere Jood niet minder seculier.

Achdoet, één zijn

Het zei eenvoudigweg: vóór dit alles zijn wij eerst Joden. En dat is een waarheid die wij allemaal zo hard nodig hebben, en altijd moeten onthouden. Want achdoet, en “één” zijn met onze seculiere broeders, betekent niet dat Thora minder waar wordt. Het betekent niet dat verschillen niet meer bestaan of er niet meer toe doen. 
Ook betekent het niet dat elke mening hetzelfde is, of dat elke manier van leven even juist is. Een gelovige Jood die in Thora gelooft, kan dat niet zeggen. Maar het betekent wel dat zelfs wanneer wij van mening verschillen, wij het hart niet doorsnijden.

Het betekent dat als een andere Jood shiva zit (de rouwperiode van zeven dagen), wij gaan. En als een andere Jood een simcha maakt (vreugdevolle levensgebeurtenis) wij ons verheugen. Het betekent dat de pijn van een ander geen vreemde pijn is, en dat de vreugde van iemand anders geen vreemde vreugde is. Het betekent dat een chassidische vader in de ruïnes van zijn eigen wereld kan zitten en toch tegen twee jonge seculiere Joden kan zeggen: “Jullie bemoedigen mij.”

Mi k'amcha Yisrael

Misschien is dit alles een herinnering dat onder alle kleding, onder de politiek, onder de boosheid en onder de discussies, een kloppend Joods hart ligt dat veel belangrijker is.
In de dagen waarin wij leven, moeten wij weten hoe wij moeten discussiëren. Soms moet men sterk discussiëren. Er zijn zaken van Thora, chinoech (Thora-getrouwe opvoeding en educatie), heiligheid en de toekomst van het Joodse volk die niet licht behandeld mogen worden. Maar wij moeten ook weten hoe wij broeders kunnen blijven. Want verschillen van mening kunnen bestaan onder Joden. Maar de scheiding tussen harten is een tragedie.

En als twee jonge mannen in jeans een chassidisch rouwend huis konden binnenlopen, en als een rouwende chassidische vader zijn gebroken hart voor hen kon openen, en diezelfde vader jaren later op hun bruiloft kon dansen, dan kunnen misschien ook wij ons herinneren wat werkelijk belangrijk is.

Dat wij allen één hart hebben. En zoals rabbijn Englard fluisterde toen hij die seculiere jonge mannen tegenover zich zag zitten, en zoals het verhaal zelf nu weerklinkt: “Mi k’amcha Yisrael!” Wie is als Uw Volk, Israël.


Rabbijn Englard spreekt eerste twee brachos uit onder de choepa
Yoel Shukkmann

De auteur

Yoel Schukkmann

Yoel Schukkmann groeide op in Nederland en maakt deel uit van een chassidische gemeenschap, een stroming binnen het ultra-orthodoxe Jodendom. In zijn tienerjaren verhuisde hij naar Israël om in...

Doneren
Abonneren
Agenda