Sluiten

Zoeken.

Artikelen

Activiteiten

Kennisbank

Podcasts

Projecten

Publicaties

Videos

Overig

Joodse wereld

Terug naar overzicht

Redding vraagt om zang

Door Yoel Schukkmann - 

28 juli 2026

F210331DC06

Joden zingen en dansen in de Noord-Israëlische stad Tzfat. | Foto: Flash90

Een paar weken geleden, op Sjabbat, hadden wij gasten, onder wie de vader van twee broers die in de afgelopen paar jaar als het ware deel van ons huis zijn geworden. Alles leek normaal, maar we zagen dat onze baby zich niet goed voelde. Zodra Sjabbat voorbij was, bad ik het avondgebed alleen thuis, maakte Havdalah, en haastten wij ons naar het ziekenhuis.

Gewoonlijk kan het een hele nacht duren voordat men op de eerste hulp wordt opgenomen. Maar deze keer, nadat wij de symptomen hadden uitgelegd, kwam er al meteen een verpleegkundige om ons mee te nemen terwijl wij nog bezig waren de formulieren in te vullen. En in één ogenblik stond het gewone leven stil: infusen, dokters, zorgen en gebeden namen het plotseling over.

Een mens denkt dat hij sterk is, totdat hij zijn eigen kleine baby zwak ziet liggen, verbonden aan vocht via een infuus. Na dagen van zorgen kwam onze baby, Baruch Hashem, weer thuis. De dokter zei dat de situatie ernstig was geweest, maar in Hashem’s goedheid begon ze te herstellen. Haar kleur en kracht kwamen langzamerhand terug. En het huis klonk weer als een huis.

Maar toen kwam een relatief eenvoudige vraag: wat doet men na zo’n chessed, goedheid, van Hashem? En onze Rebbe liet mij heel duidelijk weten dat juist in zo’n geval een mens moet stilstaan, en Hashem publiekelijk moet danken. In dit geval met een Se’oedas Hoda’ah, een maaltijd van dankbaarheid, met woorden van lof en dankbaarheid (hoda’ah). Niet zomaar samen eten, maar openlijk erkennen dat wij een chessed, een goedheid van G-d, hebben ontvangen; en dat zo’n geschenk niet stilletjes mag verdwijnen in het gewone leven.

De maaltijd

Dus deden wij dat op Sjabbatavond. Voor die Sjabbat hadden wij zestien jeshiva-jongens aan tafel. Tegen de tijd dat ik thuiskwam van de synagoge, was de avond al op zijn eigen manier begonnen. Terwijl ik de trappen naar ons appartement opliep, hoorde ik gedempte stemmen steeds luider worden. Ik hoorde het zingen door de muren en door het trappenhuis, en ik voelde het letterlijk onder mijn voeten; de treden, de vloer, zelfs de trapleuningen trilden al voordat ik de deur had bereikt.

Toen ik de deur opende, kwam het volle geluid met alle kracht op mij af. Ineens was het niet meer gedempt, niet meer verborgen achter muren. Het zingen vulde het hele gebouw. De woonkamer zat al vol met jeshiva-jongens rond de tafel. De kamer leefde van jonge stemmen die Sjabbatliederen zongen, samen met liederen van lof voor hun Vader in de Hemel. En dat is precies hoe een gelovige Jood reageert na angst, en na het zien van een redding van Hashem: hij zingt, hij looft, en hij dankt.

“Wij kunnen Hashem nooit volledig met lof 'terugbetalen', maar wij moeten Hem toch prijzen.”

Later, na het hoofdgerecht, kwamen er nog meer mensen binnen. Buren, vrienden, kennissen en familie. Zij kwamen om een lechayim te maken, en samen met ons Hashem te danken. Ik denk niet dat ons appartement ooit zo vol is geweest. Mensen zaten dicht op elkaar rond de tafel. Anderen stonden achter hen, en achter hen stonden kinderen op banken om iets te kunnen zien. En de jeshiva-jongens die aan tafel zaten, stonden uit zichzelf op en gaven hun plaatsen aan de rabbijnen, en oudere mannen die binnenkwamen.

Ik sprak woorden van Thora en dankbaarheid aan de Almachtige voor Zijn eindeloze goedheid met ons. En toen zeiden wij, in die overvolle kamer, Nishmas Kol Chai. Nishmas is een van onze krachtigste gebeden van dank. Daarin zeggen we tegen G-d dat zelfs als onze monden gevuld waren met zang als de zee, en onze tongen met lof als de golven, wij Hem nog steeds niet genoeg zouden kunnen danken voor zelfs maar één klein deel van Zijn goedheid. Het is een bekentenis dat we Hashem nooit volledig kunnen ‘terugbetalen’ met lof, maar wij Hem toch moeten prijzen.

Daarna zeiden wij Mizmor L’Sodah (Psalm 100), de psalm die verbonden is met de Korban Todah; het dankoffer dat in de Tempel werd gebracht na het overleven van gevaar. En daarna zongen we verder, nog meer lof voor Hashem.

Het gevaar van ondankbaarheid

Een van de grote gevaren in het leven is dat een mens door angst kan gaan, gered wordt, huilt van opluchting, en daarna gewoon weer terugkeert naar routine. Het wonder wordt een herinnering. De dankbaarheid wordt kleiner. En het geschenk dat een mens had moeten openen, verdwijnt in het gewone leven. Maar iemand die G-d vreest, moet anders leven.

Wanneer Hashem leven geeft, een hartslag, gezondheid, kracht, adem, kinderen, ouders, een huis, of zelfs een stuk brood, moet een mens leren opmerken. Hij moet een ore’ach tov worden, een ‘goede gast’ in de wereld van Hashem; iemand die rondkijkt en verklaart: Hoeveel heeft de Gastheer voor mij gedaan! Leven met dankbaarheid betekent erkennen dat Hashem onze echte Gastheer is. Hij geeft ons de mogelijkheid om in Zijn wereld te wonen, en ieder moment te ontvangen van Zijn eindeloze goedheid. Niet alleen na een ziekenhuisopname, of na een zichtbare genezing. Maar iedere dag, met iedere ademhaling, iedere verborgen goedheid, en ieder moment dat Hij ons draagt.

Misschien is zingen daarom veel belangrijker dan men vaak denkt. Shira (zang) is de vorm die emoena (geloof) aanneemt wanneer zij levend wordt in de mond van een mens. Het is het moment waarop wij weigeren om een goedheid van Hashem stilletjes voorbij te laten gaan.

“Als wij wachten tot het leven compleet voelt voordat wij de Almachtige danken, kunnen wij ons hele leven blijven wachten om te zingen.”

De ernstige gevolgen van de zang die niet werd gezegd

De Talmoed (Sanhedrin 94a) vertelt dat G-d Chizkiyahu HaMelech, koning Hizkia, tot Mashiach (Messias) wilde maken, en Sancheriv (Sanherib, koning van Assyrië) tot Gog u’Magog. Maar toen kwam de Middat HaDin, de eigenschap van G-ddelijke rechtvaardigheid, naar voren en zei: “Als David Melech Yisrael, die zoveel liederen en lofzangen voor U heeft gezegd, niet tot Mashiach werd gemaakt, zal Chizkiyahu, voor wie U al deze wonderen heeft gedaan, en die geen shira (zang) voor U heeft gezegd, dan Mashiach worden?” En omdat hij geen shira zei, werd de verlossing uitgesteld.

Hizkia behoorde tot de meest rechtvaardige koningen van Juda. De Joodse Geleerden zeggen dat hij de kroon van Thora in het hele Land Israël herstelde, totdat zelfs kleine kinderen vloeiend waren in Thora en de moeilijkste Joodse wetten. Hij vertrouwde op Hashem met een eenvoudig geloof, en gaf niet toe aan Sancheriv. Toen hij dodelijk ziek werd, draaide hij zijn gezicht naar de muur en stortte zijn gebeden uit, totdat er vijftien jaar aan zijn leven werden toegevoegd. En toch werd hij ter verantwoording geroepen… voor zijn stilte. Stilte waar zang had moeten zijn.

Rabbijn Shmuel Eidels (1555-1631), beter bekend als de Maharsha, legt uit dat de aanklacht niet ging over een gebrek aan G-dvrezendheid, Thora of goede karaktereigenschappen. Het ging om een gebrek aan zang. Na de wonderlijke val van het leger van Sancheriv, 185.000 soldaten die door de hand van G-d werden geslagen zonder zwaard en zonder veldslag, kwam er uit zijn mond geen publieke zang van dank. Zo zwaar weegt dankbaarheid. Een gebrek aan dank is niet alleen een gebrek in gevoel; het is een gebrek in geloof zelf.

Rebbe Yehudah Aryeh Leib Alter (1847-1905), de Sfas Emes, legt uit dat Hizkia wonder en natuur als één geheel zag. In zijn ogen was de val van Sancheriv niet anders dan zonsopgang en zonsondergang. Alles was één voortdurende leiding van G-d. Daarom zei hij geen shira… En toch werd hij daarop aangesproken, want dankbaarheid hangt niet van af of men iets als wonder of als natuur ziet. Ook voor iets natuurlijks moet men danken.

De Sfas Emes schrijft dat shira niet alleen poëtische inspiratie is, maar echte avodat Hashem (dienst van G-d). Het is een verklaring dat men erkent hoe G-d alles leidt. Zingen betekent getuigen dat G-d niet alleen redt in nood, maar ieder detail leidt, ook wanneer dat verborgen is.

De Midrash (samenstelling van Joodse overleveringen) geeft nog een reden waarom Hizkia niet zong, hij zag met geestelijk inzicht dat de slechte koning Menashe uit hem zou voortkomen en afgoderij in de Heilige Tempel zou brengen. Het waren overwegingen uit diepe eerbied voor de Thora, en toch werd hij aangesproken op het gebrek aan dank. Hieruit leren wij dat zelfs de grootste tzaddikim, de meest rechtvaardige mensen, die handelen vanuit diepe G-dvrezendheid, niet vrijgesteld zijn van dankbaarheid. Hashem zoekt niet alleen onze teshuva (terugkeer naar Hem), en niet alleen ons Thora leren, maar ook onze dankbaarheid. En wanneer die ontbreekt, wordt de verlossing uitgesteld.

Als dit werd gezegd over Chizkiyahu HaMelech, hoeveel te meer geldt het dan voor ons, die ieder moment omringd zijn door verborgen wonderen. Als wij wachten tot het leven compleet voelt voordat wij de Almachtige danken, kunnen wij ons hele leven blijven wachten om te zingen…

Yoel Shukkmann

De auteur

Yoel Schukkmann

Yoel Schukkmann groeide op in Nederland en maakt deel uit van een chassidische gemeenschap, een stroming binnen het ultra-orthodoxe Jodendom. In zijn tienerjaren verhuisde hij naar Israël om in...

Doneren
Abonneren
Agenda