Rabbijn Brodman, ik zal u missen - Christenen voor Israël

Sluiten

Zoeken.

Rabbijn Brodman, ik zal u missen

Door Joanne Nihom - 

19 juni 2020

Rabbijn David Brodman - Foto: CvI

In 2014 schreef ik onderstaand artikel over Rabbijn David Brodman z.l., die twee weken geleden overleed. Rabbijn Brodman was een diep religieus mens. Dat ben ik ook, maar op een totaal andere manier. Toch was onze band diep, hecht, bijzonder en warm.

Hoe we elkaar leerden kennen, weet ik niet meer. Waarschijnlijk via mijn ouders. We hadden vaak diepe gesprekken. Ik kan me herinneren dat ik jaren geleden, na zo’n fijn gesprek, tegen hem zei: “Ik weet dat het niet mag, maar wat zou ik u graag eomhelzen.” Hij moest erom lachen. Hij was een aimabel mens, altijd bezig met anderen.

Dat komt ook tot uiting in zijn prachtige instituut waar Israëlische jongeren het religieuze Jodendom wordt bijgebracht. Toen ik trouwde, was hij de rabbijn die de ceremonie leidde. Ik had hem van te voren gevraagd of ik iets mocht zeggen. Een zoon van goede vrienden van ons was net verongelukt in het leger en ik wilde hem herdenken. Het is bij een orthodox Joodse bruiloft hoogst ongebruikelijk dat de vrouw spreekt. Toch hoefde hij geen seconde over mijn vraag na te denken en zei: “Je hoeft me niet te vertellen waar het over gaat, als jij mij zo’n vraag stelt dan moet het belangrijk zijn en maak ik graag een uitzondering voor je.”

Een paar jaar geleden bezocht ik, samen met mijn vader, Rabbijn Brodman in het ziekenhuis. Omringd door kinderen en kleinkinderen lag hij daar bij te komen van een operatie. Op een gegeven was iedereen even weg en zat ik, samen met mijn vader, naast zijn bed. Rabbijn Brodman keek voor de zekerheid nog eens om zich heen of we echt alleen waren, en pakte toen een hand van mijn vader en van mij en zei: “Waar de familie bij is, kan ik dit niet zeggen, dat hoort niet, maar ik wil jullie beiden laten weten dat ik ontzettend veel van jullie houd.”

Lieve Rabbijn Brodman, ik zal u missen.

Een engel op onze schouder

“Wat kan ik zeggen, het is een G’dswonder dat we het hebben overleefd.” Pas sinds een aantal jaren spreekt Rabbijn Brodman over wat hij heeft meegemaakt tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar het gaat hem niet makkelijk af. “Mijn kinderen en kleinkinderen bleven maar vragen stellen,”vertelt Brodman. Het is even stil. “Door hen realiseerde ik mij hoe belangrijk het is dit verhaal te vertellen.”

Zijn oorlogsverhaal begint op 14 mei 1940, het bombardement op Rotterdam waarbij zijn ouderlijk huis werd vernietigd. Als door een wonder kon het gezin ontsnappen en zij vluchtten naar Den Haag. “Behalve dat we verplicht werden een ster te dragen was het leven daar redelijk normaal. Ik kan mij de vrijdagavondvieringen nog herinneren, Sjabbatliederen en veel warmte.” Mijn vader werd verraden, opgepakt, en naar later bleek vermoord in Auschwitz.

“De laatste keer dat ik hem heb gezien was ’s nachts, net voordat hij vluchtte. Hij gaf mij een klein gebedskleed. Ik was vijf of zes jaar, het is mijn enige herinnering aan hem.” Maar ook de rest van het gezin werd niet ontzien. In 1943 werden ze gedeporteerd naar Kamp Vught. Een niet-Joods bevriend echtpaar van de familie had aangeboden om de kinderen onderdak te geven en ze weer terug te brengen na de oorlog. “Mijn moeder wilde daar niets van weten. Ze zei altijd: ‘We blijven bij elkaar, dat is de enige manier om te overleven.’ Hoe erg onze omstandigheden ook waren, hoe uitzichtloos ons leven ook was, mijn moeder bleef geloven dat het goed zou komen. Ze had een diep religieus gevoel van vertrouwen.”

Volmaakte mensen

Kamp Vught was een nachtmerrie. “De intense vernedering, de grote honden, schreeuwende vrouwen, het enorme leed, het is niet te bevatten dat zoiets mogelijk is geweest.” Met tranen in zijn ogen vertelt Brodman hoe hij samen met zijn zusje gered werd van het beruchte kindertransport. “Op de lijst stonden 1.572 namen. Tweeëntwintig kinderen zijn van die lijst afgehaald. Waarom wij daar bij waren? Een engel boven ons hoofd?”

Van Kamp Vught werd het gezin overgebracht naar Westerbork en vandaar naar Theresienstadt, het modelkamp van de Duitsers. Van buiten mooi en vredig, binnen een hel op aarde. “Wat mij het meest is bijgebleven uit die periode is de ongelofelijke honger die we altijd hadden. ‘s Nachts lag ik vaak te huilen van ellende. Mijn moeder zei dan: “ Zeg je gebeden, dan is er morgen eten.”

Ontelbare keren werd het gezin op een transportlijst geplaatst, maar als door een wonder er ook iedere keer weer afgehaald. “Alleen volmaakte mensen werden de gaskamers in gestuurd, dat hoorde bij het systeem. Hoor je wat ik zeg? Alleen volmaakte mensen. Ik kan het niet eens geloven als ik het uitspreek. Wat ons gered heeft? De ene keer was het een bloeduitstorting op mijn been, de andere keer mijn zusje die roodvonk had. Het was een krankzinnig regime.”

Eind 1944 stond het gezin weer op een lijst voor transport. “Mijn moeder was ziek en ze lag met hoge koorts in de barak. Waar ik de moed vandaan heb gehaald als kleine jongen van nog geen zeven weet ik niet, maar ik ben naar een SS’er gestapt en heb hem verteld dat mijn moeder niet kon reizen, dat ze te ziek was. Voor de zoveelste keer was er een G’ds wonder en werden we van de lijst gehaald.

Bevrijd

10 mei 1945 zijn we bevrijd door de Russen en de Amerikanen. In onze handen hadden we nog ‘een uitnodiging voor de gaskamers’ in Theresienstadt. Alles was tot het allerlaatste toe tot in de puntjes geregeld. De ‘uitnodiging’ was bestemd voor tien uur, om acht uur vielen de Russen het kamp binnen. Van de 15.000 kinderen die in Theresienstadt terecht zijn gekomen, hebben negenzestig het overleefd, waaronder mijn zusje en ik. G’ds wegen zijn ondoorgrondelijk. Ik zeg het, ik hoor het mijzelf zeggen, maar het is bijna niet te bevatten.” Rabbijn Brodman is even stil.

Terug in Nederland was het moeilijk. Het gezin had niets meer. “Mijn moeder was zo ziek dat ze maanden in het ziekenhuis heeft gelegen. Mijn zusje en ik werden ondergebracht bij familie. Na alle ontberingen voelde Nederland als het paradijs op aarde. Langzaam maar zeker lukte het ons weer een leven op te pakken. Waar wij en al die anderen na de oorlog de kracht vandaan hebben gehaald om verder te gaan? Ik kan er geen antwoord op geven.”

Zijn moeder begon een winkeltje in kousen en hertrouwde een paar jaar later. Brodman werd naar Engeland gestuurd, naar Gateshead, een Joodse leerschool voor jongens. “Leren was nooit mijn favoriete bezigheid, maar daar werd ik geraakt door alles wat met het Jodendom te maken heeft en dat heeft mij nooit meer losgelaten.”

Rabbijn

Op zijn eenentwintigste ontving Brodman zijn rabbijnentitel. Een jaar later trouwde hij. Hij en zijn vrouw kregen zeven kinderen. Tien jaar lang was hij rabbijn bij het Amsterdamse rabbinaat. “Het was niet onze bedoeling in Nederland te blijven, maar ze hadden daar een rabbijn nodig.” In 1973 emigreerde het gezin naar Israël. “Eindelijk kwamen we thuis. We wilden onze kinderen hier laten opgroeien en ze een jeugd geven die wij door de oorlog niet hadden gekend. Iedere vrije minuut die we hadden, reisden we met ze door het prachtige land.”

Brodman werd rabbijn in Savyon en woont daar nog steeds. Zijn vrouw overleed een paar maanden geleden. Het gemis is groot. “Haar droom was hier te wonen en haar kinderen en kleinkinderen op te zien groeien, ze heeft er lang van mogen genieten. Zeven kinderen, ongeveer zeventig kleinkinderen en rond de veertig achterkleinkinderen. Het is Hitler niet gelukt ons te vernietigen, ons gezin is het bewijs”, besluit Brodman terwijl de tranen over zijn wangen lopen.

De auteur

Joanne Nihom

Onze journaliste Joanne Nihom woont al enige jaren in Israël. “Israël is voor mij thuiskomen, onderdeel zijn van een ongelofelijke uitdaging. Israël is voor mij het land, de zee, de geur van alle kruiden. Israël is voor mij het zuiden, het noorden, het westen en het oosten. Israël is voor mij de bedoeïen, de druzen, de moslim- en christelijke Arabieren, de liberale en de orthodoxe joden. Een mozaïek van mensen, gewoonten, kleuren en geuren. Israël is voor mij geschiedenis, religie en cultuur, een mengelmoes van emoties. Die sfeer wil ik overbrengen, alsof de lezer toch een beetje in Israël is. “