Sluiten

Zoeken.

Paulus' toekomstverwachting

Door Ds. Willem Glashouwer - 

26 augustus 2022

2022 Website CVI

(Foto: Unsplash)

Paulus is buiten Israël geboren, in Tarsus, ook wel Tarsis of Tartessos genoemd. Een havenstad door de Feniciërs gesticht. Ooit vluchtte de profeet Jona erheen, Jona 1:3. Onder de Romeinen was dit de hoofdstad van de provincie Cilicië in het Taurusgebergte. Daar waren de kuddes geiten waar Paulus mantels en tenten van maakte!

Paulus bezat het Romeins burgerrecht – evenals zijn vader – en had een zuster. Hij kende Grieks en Hebreeuws. En studeerde in Jeruzalem onder de beroemde rabbijn van zijn dagen: Gamaliel. Toen hij eens een Joods gezelschap toesprak in het Hebreeuws, lezen we in Handelingen 22:3 deze reactie:

  • “Toen zij hoorden dat hij hen in de Hebreeuwse taal toesprak, hielden zij zich nog stiller. En hij zei: Ik ben een Joodse man, geboren te Tarsus in Cilicië, maar opgevoed in deze stad [Jeruzalem] en aan de voeten van Gamaliël op de meest nauwgezette wijze onderwezen in de Wet van de vaderen, een ijveraar voor God zoals u heden allemaal bent.”

Maar Paulus ontmoet Jezus. En wat dat voor gevolgen had in het leven van Paulus, laten we hem zelf maar aan het woord laten en luisteren naar o.a. het Boek van de Handelingen der Apostelen en naar de brieven die Paulus schreef. Waar kijkt Paulus in zijn leven later met reikhalzend verlangen naar uit? Wat verwacht Paulus van de toekomst?

Laten we hem daarover maar zelf aan het woord laten, en luisteren naar hetgeen hij daar zelf over zegt. Misschien is zijn levensmotto wel als volgt samen te vatten in deze uitspraak over Jezus:

  • “Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten gelegd heeft.” (1 Korinthe 15:25)

Alles nieuw

  • “Want met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden der zonen Gods. Want de schepping is aan de vruchteloosheid onderworpen, niet vrijwillig, maar om (de wil van) Hem, die haar daaraan onderworpen heeft, in hope echter, omdat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods.” (Romeinen 8:20-21)

Wat bedoelt Paulus met dat ‘openbaar worden’ van de zonen Gods? ‘Openbaar worden’ komt van het Griekse werkwoord dat ‘ónthullen’ betekent. In dat werkwoord zit het woord: Apocalyps. Zo heet het laatste Bijbelboek ‘de Apocalyps / de Openbaring van Jezus Christus aan Johannes’. Dat betekent: ‘de onthulling van de Heerlijkheid van Jezus Christus zoals Hij die aan Johannes getoond / onthuld heeft.’ Apocalyps – Onthulling. Daar kijkt naar uit. Naar die toekomst. Met reikhalzend verlangen.

Als dat al ooit eens voor ‘de ganse schepping’ geldt: hoeveel te meer voor ons mensen – en dus ook voor de apostel Paulus zelf? Waar verlangt hij naar, sinds hij op de weg naar Damascus Jezus Christus heeft leren kennen? Wat gebeurde daar eigenlijk?

Arresteren

Hij was op weg om Joodse christenen te arresteren in Damascus. Eerst vinden we hem als toeschouwer die op de mantels en kleren past bij de steniging van Stefanus, de eerste martelaar.

  • “En zij wierpen hem de stad uit en stenigden hem, en de getuigen legden hun kleren af aan de voeten van een jongeman, die Saulus heette. En zij stenigden Stefanus, terwijl deze Jezus aanriep en zei: Here Jezus, ontvang mijn geest. En terwijl hij op de knieën viel, riep hij met luide stem: Here, reken hun deze zonde niet toe! En toen hij dat gezegd had, ontsliep hij." (Handelingen 7:58-60)
  • "En Saulus stemde in met zijn terechtstelling. En er ontstond te dien dage een zware vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem; en allen werden verstrooid over de streken van Judea en Samaria, met uitzondering van de Apostelen. En vrome mannen droegen Stefanus ten grave en bedreven grote rouw over hem. En Saulus verwoestte de gemeente, en hij ging het ene huis na het andere binnen en sleurde mannen en vrouwen mede, en hij leverde hen over in de gevangenis.” (Handelingen 8:1-3)

Ontmoeting met Jezus

Maar dan wordt alles radicaal anders. Want Saulus heeft een ontmoeting met Jezus.

  • “En Saulus, nog dreiging en moord blazende tegen de discipelen des Heren, ging naar de hogepriester, en vroeg van hem brieven naar Damascus voor de synagogen, om, als hij mannen en vrouwen, die van die weg [Joodse christenen] waren, zou vinden, hen gevankelijk naar Jeruzalem te brengen. En terwijl hij daarheen op weg was, geschiedde het, toen hij Damascus naderde, dat hem plotseling licht uit de hemel omstraalde; en ter aarde gevallen, hoorde hij een stem tot zich zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? En hij zei: Wie zijt Gij, Here? En Hij zei: Ik ben Jezus, die gij vervolgt…" ( Handelingen 9:1-5)
  • "Maar het gebeurde mij, toen ik op mijn reis dicht bij Damascus gekomen was, dat plotseling omstreeks de middag uit de hemel een fel licht mij omstraalde, en ik viel op de grond en hoorde een stem tot mij zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? En ik antwoordde: Wie zijt Gij, Here? En Hij zei tot mij: Ik ben Jezus, de Nazoreeër, die gij vervolgt. En zij, die met mij waren, zagen wèl het licht, maar de stem van Hem, die tot mij sprak, hoorden zij niet. En ik zei: Here, wat moet ik doen? En de Here zei tot mij: Sta op en reis naar Damascus, en daar zal u gezegd worden al hetgeen u opgelegd is om te doen. En daar ik vanwege de glans van dat licht niet meer kon zien, werd ik bij de hand geleid door hen, die met mij waren, en ik kwam te Damascus.” (Handelingen 22:6-11)

Door deze ontmoeting werd ‘Saulus’ tot ‘Paulus’: van Christus-hater tot Jezus-prediker. ‘Paulus’ komt van het Latijn en betekent: ‘klein’. ‘Klein’ gemaakt door op zijn knieën voor Jezus te vallen. En door Hem weer opgericht om Hem te dienen als apostel voor de heidenen. Van christen-hater tot Jezus-prediker.

Jezus leeft

Paulus weet zeker dat Jezus leeft.  Dat Hij lichamelijk uit de dood verrezen is. De Opgestane is Zelf aan hem verschenen. Maar niet alleen is Hij aan Paulus verschenen. Aan nog veel meer mensen. In 1 Korinthe 15:3-10 schrijft hij:

  • “Want vóór alle dingen heb ik u overgegeven, hetgeen ik zelf ontvangen heb: Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften, en Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften, en Hij is verschenen aan Kefas [Petrus], daarna aan de Twaalven. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen. Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan al de apostelen; maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen, als aan een ontijdig geborene. Want ik ben de geringste der apostelen, niet waard een apostel te heten, omdat ik de gemeente Gods vervolgd heb. Maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben, en Zijn genade aan mij is niet vergeefs geweest, want ik heb meer gearbeid dan zij allen, doch niet ik, maar de genade Gods, die met mij is.”

De feitelijkheid en de realiteit van de lichamelijke verrijzenis van Jezus maakt voor Paulus alles anders. Paulus weet zeker dat hij na het sterven bij Jezus zal zijn. En daar verlangt hij naar. Alles radicaal anders! Vol diep ontzag en intense vreugde: de Zoon van God is opgestaan! Om het met de woorden van een oud lied te zeggen:

Nu jaagt de dood geen angst meer aan,
want alles, alles is voldaan.
Die in ’t geloof op Jezus ziet,
die vreest voor dood en helle niet.

Want nu de Heer is opgestaan,
nu vangt het nieuwe leven aan,
een leven door Zijn dood bereid,
een leven in Zijn Heerlijkheid.

Overweldigend rijk is die uiterlijke en innerlijke ervaring. Daarvoor leeft Paulus vanaf dat moment. Daarvoor is hij bereid te sterven vanaf dat moment. Hij omschrijft in Filippenzen 1:21-24 het zo:

  • “Want het leven is mij Christus en het sterven gewin. Indien ik in het vlees blijf leven, betekent dat voor mij werken met vrucht, en wat ik moet kiezen, weet ik niet. Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil.”
  • “Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.” (Galaten 2:20)

En in Galaten 3:4b-11 beschrijft hij het verschil als oprechte, Wetsgetrouwe Jood, lid van de rechtzinnige partij van de Farizeeën en nu als lid van die kleine, verachte groep van Joodse gelovigen in Christus:

  • “Indien een ander meent op vlees te kunnen vertrouwen, ik nog meer: besneden ten achtsten dage, uit het volk Israël, van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de Wet een Farizeeër, naar mijn ijver een vervolger van de gemeente, naar de gerechtigheid der Wet onberispelijk. Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om Zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen, en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de Wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof. (Dit alles) om Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden, of ik, aan Zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.”

Word abonnee van

Profetisch Perspectief

Opstanding

Het in-de-hemel-zijn bij God en het Lam en bij de miljoenen en miljoenen hemelwezens en bij de verlosten die ons zijn voorgegaan, is niet het einddoel waarnaar Paulus verlangt. Hoe heerlijk die realiteit ook zal zijn. Het einddoel is de opstanding van het lichaam. De totale verlossing naar geest, ziel en lichaam. En tenslotte de vernieuwing van alle dingen, ook van de schepping zelf. Die daarop moet wachten totdat éérst de onthulling van de heerlijkheid Gods der zonen Gods, de rechtvaardigen plaatsvindt. De lichamelijke verrijzenis.

  • “En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de Komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn. Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen.” (1 Thessalonicenzen 5:23-24)

In diezelfde brief legt hij nader uit hoe dat zal zijn. Omdat de gemeente in Thessaloniki zich zorgen begon te maken om het lot van de reeds overleden broeders en zusters – immers gestorven vóórdat Christus in Heerlijkheid teruggekomen was op aarde – en zij die heerlijke Komst van Christus als levende personen dus kennelijk gemist hadden, schrijft hij in 1 Thessalonicenzen 4:13-17 dat zij zelfs een streepje vóór hebben!

  • “Doch wij willen u niet onkundig laten, broeders, wat betreft hen, die ontslapen, opdat gij niet bedroefd zijt, zoals de andere (mensen), die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zó hen, die ontslapen zijn, door Jezus weder-brengen met Hem. Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de Komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen.”

Ieder op zijn beurt

Ieder op zijn beurt! Zo schrijft Paulus het in 1 Korinthe 15:20-28:

  • “Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn. Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens. Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.”

Ja, elk mens zal lichamelijk uit de dood opstaan – wat er ook na het sterven met zijn of haar lichaam is gebeurd. Jezus zegt daarover in Johannes 5:28-29 “Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar Zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel.” Maar opstaan zullen wij allen.

  • “Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij Zijn Komst; daarna het einde, wanneer Hij het Koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben. Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten gelegd heeft. De laatste vijand, die onttroond wordt, is de dood, want alles heeft Hij aan Zijn voeten onderworpen. Maar wanneer Hij zegt, dat alles onderworpen is, is blijkbaar Hij uitgezonderd, die Hem alles onderworpen heeft. Wanneer alles Hem onderworpen is, zal ook de Zoon zelf Zich aan Hem onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.”

Moedig voorwaarts

Paulus weet het zeker. Onbevreesd treedt hij de toekomst tegemoet. Moedig voorwaarts! Wat ook die toekomst brengen moge… En dat was voor Paulus nogal wat! Hij schrijft in 2 Korinthe 6:4-10 over zijn persoonlijke ervaringen:

  • ”… wij doen onszelf in alles kennen als dienaren Gods: in veel dulden, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, in slagen, in gevangenschappen, in oproeren, in moeiten, in nachten zonder slaap, in dagen zonder eten, in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in rechtschapenheid, in de Heilige Geest, in ongeveinsde liefde, in de prediking van de waarheid, in de kracht Gods; met de wapenen der gerechtigheid in de rechterhand en in de linkerhand; onder eer en smaad, in kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders en toch betrouwbaar; als niet bekend en toch wèl bekend; als stervend en zie, wij leven; als getuchtigd, maar niet ten dode; als bedroefd, maar altijd blijde; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en toch alles bezittend.”

En in 2 Korinthe 11:23-29 zegt hij zelfs:

  • “…in moeiten veel vaker, in gevangenschap veel vaker, in slagen maar al te zeer, in doodsgevaren menigmaal. Van de Joden heb ik vijfmaal de veertig-min-één-slagen ontvangen, driemaal ben ik met de roede gegeseld, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een etmaal heb ik doorgebracht in volle zee; telkens op reis, in gevaar door rivieren, in gevaar door rovers, in gevaar door volksgenoten, in gevaar door heidenen, in gevaar in de stad, in gevaar in de woestijn, in gevaar op zee, in gevaar onder valse broeders; in moeite en inspanning, tal van nachten zonder slaap, in honger en dorst, tal van dagen zonder eten, in koude en naaktheid; (en dan), afgezien van de dingen, die er verder nog zijn, mijn dagelijkse beslommering, de zorg voor al de gemeenten. Indien iemand zwak is, zou ik het dan niet zijn? Indien iemand aanstoot neemt, zou ik dan niet in brand staan?

Lijden om Christus' wil

Kortom: wat men ook van mij vind: ik ga moedig voorwaarts! Want ik weet wat voor een toekomst mij wacht! Aanslagen op zijn leven. Van gevangenis naar gevangenis gesleept. Voor overheden, plaatselijk, nationaal en waarschijnlijk tot aan de keizer in Rome toe: moedig voorwaarts. In Handelingen 23:10-35 lezen we over aanslagen die beraamd werden om hem te dode. Lees ook hoe Paulus ontsnapte uit diverse gevaarlijke situaties doordat hij in een mand over de muur gelaten werd, te lezen in Handelingen 9:23-25. En 2 Korinthe 11:32-33 “Te Damascus liet de stadhouder van koning Aretas de stad der Damasceners bewaken, om mij te grijpen, en door een venster in de muur werd ik in een mand neergelaten en ik ontkwam aan zijn handen.”

  • “En de koning stond op en de stadhouder en Bernice en die met hen hadden plaats genomen; en ter zijde gegaan, spraken zij onder elkander: Deze man is aan niets schuldig, waarop dood of gevangenschap staat. En Agrippa zeide tot Festus: Deze mens had vrij kunnen zijn, als hij zich niet op de keizer had beroepen.” (Handelingen 26:30-32)

En zo belandt Paulus tenslotte in Rome. Om getuige te zijn.

Tenslotte, na zijn taak hier op aarde volbracht te hebben, sterft hij als martelaar. Als plengoffer. Hij schrijft in Filippenzen 2:17-18 en 2 Timotheüs 4:6

  • “Maar ook indien ik geplengd word bij de offerande en de eredienst van uw geloof, verblijd ik mij, en ik verblijd mij met u allen. Verblijdt gij u evenzo en verblijdt u met mij”…“
  • "Want wat mij aangaat, reeds word ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden; voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die Zijn verschijning hebben liefgehad.”

Het Koninkrijk komt

Christus moet heersen. Zijn Koninkrijk is gekomen en zal komen. Paulus wist het zeker: “Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al Zijn vijanden onder Zijn voeten gelegd heeft.” Het Koninkrijk Gods is daar waar Jezus regeert en het voor het zeggen heeft.

Toen Hij persoonlijk op aarde aanwezig was en de lichttekenen van het Koninkrijk om Hem heen oprichtte, was dat de eerste gestalte van het Koninkrijk Gods. Toen Hij naar de hemel voer en zich zette aan de rechterhand des Vaders, zond Hij de Heilige Geest. Die regeert thans in de harten van Zijn kinderen, Zijn gemeente, en die gemeente/kerk mag op haar  beurt namens Hem en door Hem de lichttekenen van het Koninkrijk Gods opricht in deze wereld. En straks zal Hij komen om te zitten op de troon van Zijn vader David om wereldwijd te heersen in het midden van Jakob = Israël, en de vrede zal uitgaan van Jeruzalem en de wereld bedekken en de volkeren zullen de oorlog niet meer leren. Daarin zal tenslotte de schepping zelf betrokken worden zodat er uiteindelijk een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zal zijn waarin voor eeuwig gerechtigheid zal bestaan, en God zal zijn alles en in allen. Sinds Jezus’ Komst op aarde zal het Koninkrijk zal geen einde meer nemen, maar het ontvouwt zich steeds verder, van heerlijkheid tot heerlijkheid tot heerlijkheid en dat tot in eeuwigheid! En het is onlosmakelijk verbonden met Israël.

God is trouw aan Zijn Verbonden met Israël. Het wonder gebeurde. We hebben het met eigen ogen kunnen zien. Op 14 mei 1948 riep David Ben-Goerion de onafhankelijke Joodse staat Israël uit! En na 19 jaar Jordaanse bezetting, werd in 1967 Jeruzalem weer de ongedeelde hoofdstad van de onafhankelijke Joodse Staat Israël. En nu is Israël op weg naar zijn rust. Naar ‘lichaam, ziel en geest’. Gods Geest zal dáár, in Israël, naar de profetie van Zacharia 12:1-14 eenmaal op hen allen worden uitgestort. Dan zal eindelijk ‘gans Israël’ mogen zien Wie Jezus waarlijk is. Dan zal Israël veilig wonen in het midden van de aarde en een zegen zijn voor alle volken. Want God heeft Israël niet uitverkoren omwille van Israël zelf, maar om door Israël de wereld te zegenen. En Hij zal niet laten varen wat Zijn hand begon.

Ds. Willem J. J. Glashouwer, voorjaar 2021

Dit artikel verscheen eerder in ons verdiepend kwartaalblad ‘Profetisch Perspectief’. Dit blad zoomt in op geschiedenis en actualiteit. Op signalen die wijzen naar wat komen gaat; soms vol dreiging, vaak vol hoop. Aan bod komen onderwerpen als klimaatveranderingen, armoede, de islam, schepping & evolutie, kerk & Israël, en de wederkomst van Christus. Meer informatie of abonneren kan via de knop hieronder.

Ds._Willem_Glashouwer

De auteur

Ds. Willem Glashouwer

Doneren
Abonneren
Agenda