Sluiten

Zoeken.

Artikelen

Activiteiten

Kennisbank

Podcasts

Projecten

Publicaties

Videos

Overig

Kort geding IPC tegen Nederlandse Staat: 16 september volgt de uitspraak

26 augustus 2026

F200604SD12 (1)

Het Joodse dorp Karnei Shomron in Judea en Samaria. | Foto: Flash90

Vandaag voerde het Israël Producten Centrum (IPC) samen met de European Jewish Association (EJA) een kort geding tegen de Nederlandse staat over het voorgenomen import- en handelsverbod van Nederland op producten uit Joodse dorpen in Judea en Samaria.

De zaak draait om de Algemene Maatregel van Bestuur die de staat heeft afgekondigd om de import en handel van producten uit Israëlische nederzettingen te verbieden. Voor IPC, dat al sinds 1981 Israëlische producten importeert en distribueert, zou dat grote gevolgen hebben. Het bedrijf zou bestaande handelsrelaties moeten stopzetten. Overtreding van de maatregel zou tot wel zes jaar gevangenisstraf opleveren. Ter vergelijking: op zware mishandeling staat een straf van drie jaar.

Het IPC besloot daarom naar de rechter te stappen, omdat de maatregel al op 22 september 2026 in werking treedt. Er is dus haast geboden. Beslissingen over bestellingen, transporten en voorraden worden vaak al maanden van tevoren genomen. Volgens IPC ontstaat daardoor nu al veel onzekerheid bij zowel leveranciers als klanten.

De producten die we verkopen uit de betreffende gebieden komen allemaal uit de C-gebieden. Volgens de Oslo-Akkoorden (een bindend verdrag tussen Israël en de Palestijnse Autoriteit) vallen deze gebieden onder bestuur van Israël. Een groot deel van de werknemers in deze bedrijven zijn Palestijnen, die volgens de CAO’s van Israël worden betaald (wat veel gunstiger is dan onder de Palestijnse Autoriteit). Met deze maatregel van de overheid worden juist deze tienduizenden Palestijnse werknemers en gezinnen keihard geraakt.

“Nederland stelt dat de openbare orde in het geding zou zijn. Ik zie niet in hoe het kopen van een flesje wijn de openbare orde in Nederland zou kunnen verstoren.”

— Pieter van Oordt, directeur Israël Producten Centrum

Pieter van Oordt, directeur van IPC: “De maatregel werd aangekondigd op 22 mei van dit jaar. Pas voor de zomer werd duidelijk dat het handelsverbod al op 22 september zou ingaan. We hebben nauwelijks tijd gehad om de producten te verkopen, sterker nog: we hebben nog een deel van de voorraden over. Het gaat om een aanzienlijk deel van onze omzet. Het import- en handelsverbod is enorm schadelijk voor onze onderneming, en we krijgen geen enkele compensatie van de overheid.

De staat heeft de verantwoordelijkheid om een betrouwbare overheid te zijn ook voor ons bedrijf, en om ons niet ineens te confronteren met zo’n vergaande maatregel. We moeten voldoen aan hoge eisen van de NVWA, daarvoor hebben we bijvoorbeeld een fabriek gevonden waar 140 Palestijnen werken die halva en tahini kan leveren. Ik kan dat niet zomaar vervangen.”

Opperrabbijn Jacobs (EJA): “Geen haar op mijn hoofd denkt eraan om Nederland te verlaten. Maar als het leven hier onmogelijk gemaakt wordt, dan veroorzaakt dat veel angst bij de Joodse gemeenschap. Ik ben bang voor de precedentwerking van deze maatregel: Joden worden gecriminaliseerd als ze een flesje wijn willen kopen uit deze gebieden.”

“Joden worden gecriminaliseerd als ze een flesje wijn willen kopen uit deze gebieden.”

— Opperrabbijn Jacobs

Het IPC vindt dat het kabinet slecht werk heeft gedaan. Pieter van Oordt: “Het is een slordige maatregel en bovendien pure symboolpolitiek. Buitenlandse handel is een exclusieve taak van de EU. Nederland heeft met deze maatregel een geitenpaadje gevonden door de uitzondering te gebruiken dat de openbare orde in het geding zou zijn. Ik zie niet in hoe het kopen van een flesje wijn de openbare orde in Nederland zou kunnen verstoren.”

Daarnaast voerden de advocaten van IPC aan dat de mensen die geraakt worden door de maatregel, de Palestijnse werknemers zijn die werken in de Israëlische bedrijven. Tijdens de rechtszitting werden diverse getuigenissen voorgelezen waarin deze Palestijnse medewerkers zelf vertellen hoe deze maatregel hen raakt.

De rechter zal uiterlijk op 16 september uitspraak doen in deze zaak. We zullen u dan zo snel mogelijk hierover informeren.

Doneren
Abonneren
Agenda