Hoe heeft dit allemaal zover kunnen komen?
Door Rabbijn mr. drs. R. Evers -
12 juni 2026
Ik ben net terug uit Nederland en hoorde dat Lenny Kuhr vanuit Nederland vertrekt vanwege het toenemende antisemitisme: “Ik schaam me voor Nederland.” Onderweg terug luisterde ik naar de podcast Shalom uit Israël met presentatrice Smadar Morag, waarin de Nederlandse universiteiten worden beschreven als plaatsen van haat en vijandschap tegenover Joden en Israëli’s. Zij interviewt onder anderen historica Amanda Kluveld, die hierover een indringend boek schreef. Terwijl ik luister, dringt zich één vraag steeds sterker op: hoe heeft dit allemaal zover kunnen komen?
Een oud virus in een nieuwe gedaante
Antisemitisme is geen nieuw verschijnsel. Het heeft eeuwenoude wortels. In de Middeleeuwen werden Joden beschuldigd van de meest bizarre misdaden, van bronvergiftiging tot rituele moorden. In de negentiende eeuw kreeg de haat een raciale vorm, culminerend in de vernietigingsideologie van het nationaalsocialisme. Na de Holocaust leek Europa een les geleerd te hebben. Men sprak over “nooit meer”. Maar geschiedenis leert dat antisemitisme zelden verdwijnt. Het is als een muterend virus: het verandert van gedaante, past zich aan de tijd aan en zoekt telkens nieuwe rechtvaardigingen.
Vandaag manifesteert het zich vaak niet meer openlijk als haat tegen Joden. Het verschijnt in een taal van politiek activisme, mensenrechten en sociale rechtvaardigheid. Kritiek op Israël is vanzelfsprekend legitiem. Maar wanneer Joodse studenten, docenten of burgers worden afgerekend op hun verbondenheid met Israël, wanneer zij zich moeten verantwoorden voor hun identiteit of wanneer zij worden uitgesloten uit het publieke debat, wordt een grens overschreden. Dan verandert politieke kritiek in iets veel donkerders.
Sociale isolatie
Wat bijzonder aangrijpend is in de ervaringen die Amanda Kluveld beschrijft, is niet alleen de openlijke vijandigheid, maar vooral het proces waardoor die mogelijk wordt gemaakt. Antisemitisme begint meestal niet met geweld. Het begint met sociale isolatie. Met het gevoel dat bepaalde mensen niet langer volledig meetellen. Dat hun aanwezigheid problematisch wordt gevonden. Dat zij eerst moeten bewijzen dat zij erbij horen.
De vraag is niet alleen hoe het zover heeft kunnen komen. De vraag is vooral: hoe lang laten we het nog gebeuren?
Wie de geschiedenis van uitsluiting bestudeert, ziet steeds hetzelfde patroon terugkeren. Eerst worden mensen gestigmatiseerd. Vervolgens worden zij vermeden. Daarna worden zij verantwoordelijk gehouden voor spanningen die anderen veroorzaken. Uiteindelijk wordt hun uitsluiting voorgesteld als noodzakelijk voor de rust of veiligheid van de gemeenschap.
Dat mechanisme werkt vernietigend. Niet alleen omdat het de direct betrokkenen treft, maar ook omdat het hun vertrouwen in de samenleving aantast. Joodse studenten die zich niet meer durven uitspreken. Docenten die hun mening inslikken. Ouders die hun kinderen adviseren hun Joodse identiteit minder zichtbaar te maken. Israëli’s die zich afvragen of zij nog welkom zijn in een land dat ooit bekendstond om zijn tolerantie.
Het meest pijnlijke is misschien wel de eenzaamheid die daarbij ontstaat. Niet de schreeuwende demonstrant veroorzaakt de diepste wond, maar de collega die wegkijkt. Niet de activist die uitsluit, maar de bestuurder die weigert grenzen te stellen. Niet de vijandigheid zelf, maar de stilte van degenen die beter zouden moeten weten.
Juist daarin schuilt de actualiteit van de beroemde open brief J’accuse van Émile Zola tijdens de Dreyfus-affaire. Zola begreep dat onrecht niet alleen wordt veroorzaakt door de daders, maar ook door instellingen die hun morele kompas verliezen. Wanneer universiteiten, media, culturele instellingen of overheden niet langer in staat zijn onderscheid te maken tussen legitieme kritiek en discriminatie, ontstaat een gevaarlijke situatie. Dan worden vooroordelen genormaliseerd en wordt uitsluiting gelegitimeerd.
Toekomst
De gevolgen daarvan zijn vandaag zichtbaar. Joden melden dat zij zich steeds minder veilig voelen. Sommigen verwijderen religieuze symbolen. Anderen vermijden publieke discussies. Bekende Nederlanders zoals Lenny Kuhr spreken openlijk over hun teleurstelling en vervreemding. Wat ooit ondenkbaar leek, wordt steeds vaker uitgesproken: de vraag of er nog wel een toekomst is voor Joods leven in Nederland zoals dat generaties lang heeft bestaan.
Dat zou ons allemaal moeten verontrusten. Niet alleen Joden. Niet alleen Israëli’s. Maar iedere burger die waarde hecht aan een vrije en democratische samenleving. Want antisemitisme is nooit uitsluitend een probleem van Joden geweest. Het is altijd een graadmeter geweest voor de gezondheid van een samenleving. Waar Joden worden geïsoleerd, volgt vroeg of laat ook de uitsluiting van anderen.
Nederland staat daarom voor een keuze. Kijken we weg, omdat het gemakkelijker is? Of hebben we de moed om duidelijk te zeggen dat haat, uitsluiting en intimidatie geen plaats hebben in onze universiteiten, onze straten en onze instellingen?
De vraag is niet alleen hoe het zover heeft kunnen komen. De vraag is vooral: hoe lang laten we het nog gebeuren?
We maakten eerder een uitzending met dr. Amanda Kluveld over hoe activisme de academische vrijheid onder druk zet: