Hetzelfde Chanoeka-lied in Sydney, Amsterdam en Jeruzalem
Door Yoel Schukkmann -
15 december 2025
Er zijn momenten waarop een Jood met pijnlijke helderheid voelt dat de wereld geen geduld heeft voor zijn licht. Gisteren, op de eerste avond van Chanoeka tijdens een openbare Chanoeka-viering in Bondi Beach, Sydney (Australië), openden twee terroristen het vuur in een antisemitische aanslag. Op het moment van schrijven zijn er minstens zestien doden en tientallen gewonden.
Diezelfde dag, aan de andere kant van de wereld, hielden Joden in Amsterdam hun hart vast rond een Chanoeka-concert in het Concertgebouw, met waarschuwingen voor “hoog risico” en aangekondigde demonstraties. Later die avond leidden verstoringen door gemaskerde islamisten tot politie-ingrijpen.
Oude stem
Het is moeilijk om in dit alles niet de oude stem te horen van het bekende piyoet (religieuze gedicht) dat wij elke avond van Chanoeka zingen. Maar door deze gebeurtenissen hield het plotseling op om slechts het liedje dat we na het aansteken zingen te zijn. Het werd weer wat het altijd al was: een historisch getuigenis. De stem van een volk dat licht blijft aansteken, zelfs wanneer de straat zegt dat het moet verdwijnen.
We zingen “Maoz Tsoer” vaak alsof het slechts de soundtrack is van een warm huis: olie en soefganiyot (Chanoeka donuts) en lachende kindergezichtjes verlicht door kleine vlammetjes. Maar dit lied zelf is eigenlijk helemaal niet zo “gezellig” als de melodie het doet lijken. In werkelijkheid is het geen simpel Chanoeka-deuntje, maar een historisch gedicht dat strofe na strofe door onze ballingschappen en verlossingen heen marcheert. Het is het lied van een volk dat weet wat het betekent om opgejaagd en in het nauw gedreven te worden, en dat toch gevraagd wordt om te loven.
Maoz Tsoer
“Ma’oz tsoer jesjoe’ati, lecha na’eh lesjabe’ach” Machtige Vesting, Rots van mijn verlossing, het past om U te loven.
Het begint met een zin die voor een gewond hart bijna onmogelijk is: lof. Niet nadat het weer “logisch” voelt. Niet pas wanneer “het slechte” voorbij is, maar “nu”, terwijl de recente tragedie nog steeds de krantenkoppen beheerst.
En dan volgt: “Tikon beet tefilati… ve’sjam todah nezabe’ach” Herstel mijn Huis van gebed… en daar zullen wij dankoffers brengen.
Dit zijn geen woorden voor makkelijke tijden. Het zijn woorden van een volk dat zegt: “mijn wereld is gebroken, dus mijn gebed wordt niet alleen een vraag om veiligheid, maar ook een smeekbede om wederopbouw. Om de herbouw van de Heilige Tempel, de plaats waar de wereld erkent dat Hasjem werkelijk G-d is, en wanneer al het lijden eindelijk zal ophouden.
Hierna komt de regel die deze week leest als een krantenkop: “Le’et tachin matbe’ach, me’tsaar hamnabe’ach” - Wanneer U een slachting bereidt voor de blaffende vijand.
De dichter gebruikt het woord “hamnabe’ach”: een vijand die blaft als een hond. Geen vijand met wie je kunt redeneren. Geen vijand die om waarheid vraagt. Een vijand die blaft en bijt; die schreeuwt als een hond.
En pas daarna: “Az egmor be’sjir mizmor, chanoekat hamizbe’ach” - Dan zal ik met lied en psalm voltooien: de inwijding van het altaar.
Chanoeka betekent dus niet: “we staken de menora aan omdat het veilig was.” Chanoeka betekent: we staken aan om te verklaren dat het altaar nog altijd aan G-d toebehoort.
Een vader en zoon tussen de auto's
Een vriend van mij, een rabbijn die in Sydney woont en die ik ken sinds hij dertien was, was samen met zijn vrouw en kinderen bij dat Chanoeka-evenement. Dank aan G-d dat zij het hebben overleefd. Maar ook overleven laat diepe sporen na.
Twintig minuten lang zat hij met zijn vierjarige zoontje verborgen tussen de auto’s, terwijl hij zijn huilende kind probeerde te kalmeren, bang dat het huilen van een Joods kind de terroristen zou aantrekken.Als we willen weten wat “Maoz Tsoer” in 2025 betekent, kunnen we eigenlijk hier al blijven staan: een Joodse vader die zijn kind toefluistert, hem tot rust brengt en een vonk bewaakt.
Was dat niet precies wat de Grieken probeerden te doen? Om het olielicht uit te blussen en juist die “olie” verontreinigen dat bestemd was om licht te geven?
Tekst gaat verder onder de foto.
Geestelijke aanval
“Oefartsoe chomot migdalei ve’timoe kol hasjemanim” - Zij braken de muren van het heiligdom open en verontreinigden alle zuivere oliën.
Dit deel van “Maoz Tsoer” spreekt niet alleen over een fysieke oorlog, maar ook over een geestelijke aanval: een poging om de muren van het “Joodse huis” te doorbreken en te besmetten wat Joods licht juist zo uitgesproken Joods maakt. En daarom wordt het wonder niet beschreven als: “wij werden sterker”, maar als: “uit de laatste overgebleven kruikjes werd een wonder gemaakt”. Hiermee laat G-d zien dat zelfs wanneer zuiverheid bijna verdwenen is, één klein verzegeld kruikje een machtig rijk kan overleven.
Een licht voor een man en zijn huis
De Joodse Geleerden beschrijven de basisverplichting van Chanoeka als “ner iesj oebeeto”: een licht voor een man en zijn huis.
Maar wat is “zijn huis”, wanneer Joden worden aangevallen bij het aansteken van een openbare menora? Misschien kunnen we zeggen dat soms “zijn huis” niet per se een eetkamer is. Soms is het een nauwe ruimte tussen auto’s, waar een vader met zijn eigen lichaam een scheiding vormt, een schild, voor zijn kind. Soms is “zijn huis” de kring van vreemden op een evenement die op dat moment familie worden omdat zij samen worden aangevallen, enkel en alleen omdat ze Joods zijn. We zijn namelijk niets anders dan ledematen van één lichaam.
Krachtig symbool
En misschien is dat precies waarom openbare Chanoeka-ontstekingen in onze tijd zo’n krachtig symbool zijn geworden. Omdat Chanoeka per definitie een mitswa (gebod) is van het “bekendmaken van het wonder”, licht brengen op de plek waar de duisternis meent eigendomsrecht op de straat te hebben.
En dat openbare licht is kostbaar. Maimonides (1138-1204) schrijft dat het gebod van de Chanoekalichtjes is gebaseerd op het vinden van één kruikje en het aansteken daarvan, op een manier die boven de natuur uitgaat. Dat wil zeggen dat wanneer terroristen Joden juist bij een Chanoeka-ontsteking willen treffen, dan raakt dat de kern van de Chanoekaboodschap: dat wij niet instemmen met het voor altijd verbergen van onze vlam.
Dit is Joodse moed: Geen luidruchtigheid, geen roekeloosheid, maar de weigering om het kwaad ons leven te laten herschrijven.
Chanoeka is de brug tussen huis en straat. Tussen de vader die een kind verborgen tussen auto’s tot rust brengt en dezelfde vader die op elke volgende avond deze week weer thuiskomt en zijn menora aansteekt. Dat is Joodse moed. Geen luidruchtigheid, geen roekeloosheid, maar de weigering om het kwaad ons leven te laten herschrijven.
Eén dag, één boodschap
In Amsterdam zagen we hetzelfde verhaal in een andere vorm, maar de druk was herkenbaar; geplande demonstraties en verhoogd risico rond een onschuldig Chanoeka-concert. De details verschillen, maar de boodschap niet. Het is dezelfde oude “blaffende vijand”, die soms met wapens komt, soms met intimidatie; en soms door een Joods evenement te omsingelen en te eisen dat Joodse vreugde zich moet verantwoorden.
En daarom vertelt “Maoz Tsoer” niet alleen over de Grieken. Het gaat langs Farao, Babylonië, Haman, en verder, omdat Chanoeka niet alleen een feest is van een overwinning uit het verleden. Het is een lens waardoor wij een patroon in de geschiedenis herkennen, en daardoor leren wij hoe wij behoren te reageren.
De verlossing
Misschien wel de meest noodzakelijke regel in “Maoz Tsoer” staat in de laatste strofe. Het is een smeekbede over de langste ballingschap, de ballingschap van Edom, onze huidige ballingschap: een roep tot G-d om “Zijn heilige arm te ontbloten”, de vertraging van de verlossing te beëindigen, vergoten bloed te wreken en de uiteindelijke verlossing te brengen:
“Chasof zeroa kodshecha, nekom nikmat dam avadecha.” - Ontbloot Uw heilige arm, bespoedig het einde ter verlossing; wreek het bloed van Uw dienaren op het kwade volk.
Deze strofe wordt in minder orthodoxe kringen vaak overgeslagen omdat het misschien wat oncomfortabel klinkt, omdat het openlijk spreekt over het einde van onderdrukkende machten, en over G-ds oordeel. Maar precies daarom hoort het juist thuis in een week als deze. Want wanneer Joden worden aangevallen bij een Chanoeka-ontsteking en wanneer Joden diezelfde dag in Amsterdam worden lastiggevallen, worden wij gedwongen te erkennen wat “Maoz Tsoer” al wist: dat geschiedenis niet neutraal is.
Er is rechtvaardigheid en er is wreedheid. Er is heiligheid en er is ontwijding. En wij mogen, en zijn misschien zelfs verplicht, te zeggen: “Vader, genoeg!” Niet als slogan, maar als gebed. Dezelfde mond die zegt, “wreek het bloed van Uw dienaren,” begint datzelfde lied met: “het past om U te loven.” Hasjem prijzen in dit lied is geen ontkenning. Lof is hier een vorm van verzet.
Ontbloot Uw heilige arm, bespoedig het einde ter verlossing; wreek het bloed van Uw dienaren op het kwade volk.
— Regel uit het Maoz Tsoer, dat gezongen wordt tijdens Chanoeka
Het is de Joodse weigering om de kwaadaardigen te laten bepalen wat deze dagen zullen betekenen. Wanneer een terrorist het aansteken van een menora in Sydney wil veranderen in een symbool van angst, dan antwoorden wij door het te maken tot een symbool van Joodse standvastigheid.
Wanneer men wil dat Joodse muziek in Amsterdam wordt overstemd door dreiging en geschreeuw, dan antwoorden wij door ervoor te zorgen dat Joodse zang luider klinkt, niet zachter en niet met schaamte.
En wanneer een vader een huilend kind tussen auto’s moet stilhouden, omdat de wereld zo verdraaid is geworden dat de stem van een Joods kind gevaarlijk lijkt, dan antwoorden wij door dat kind toe te fluisteren:
Je bent niet alleen. Je huilen betekent niet dat je verloren hebt. Het betekent dat je leeft.
En als zelfs één lontje nog vlam kan vatten, heeft de Rots van onze verlossing Zijn kinderen zeker niet verlaten.
“Maoz Tsoer” is geen lied over hoe mooi het is dat wij ooit licht hadden. Het is een lied over hoe wij licht maken wanneer wij niet zeker weten of de wereld ons dat zal toestaan.