De God van Israël richt Zijn aandacht op heel de wereld. Overal op deze aarde kunnen mensen Hem aanbidden en Hem hun leven toevertrouwen. Maar is daarmee Sion als middelpunt van de schepping achterhaald?
Dit is deel 2 over het verlangen naar Sion. Dinsdag verscheen deel 1.
Sion in de Tenach
Laten we beginnen met de Thora. Die begint met Sion, tenminste als we zo het paradijs mogen duiden. De wijzen van Israël doen dat wel. God gaat in het spoor van Zijn geschiedenis met Israël op weg naar het begin, naar de eerste bladzijde van de Bijbel. Waar anders eindigt de geschiedenis dan waar deze begon? Waar anders is de voetbank van Gods voeten (Ezechiël 43:7), dan daar waar God wandelde met de eerste mens en hem aansprak? Waar anders dan op de navel van de aarde bouwde de Heere later de tempel en zal Hij die weer bouwen? Vandaar dat Mozes bij de Schelfzee zingt dat hij weet waar God Zijn volk heen brengt: naar de berg die Hij verkoren heeft, naar Zijn erfdeel, naar het Heiligdom dat Hij met Zijn hand gesticht heeft (Exodus 15). En Israël was er al eerder, niet waar. Is Sion niet de plaats waar Abraham ooit met Isaak de berg beklom?
Ik weet wel dat sommige mensen zullen zeggen dat dit niet zozeer de woorden van God zijn, maar de traditie van een volk dat zo zijn religie beleeft. Dat zou je kunnen zeggen en daarmee kun je ook zeggen dat wij het nu anders doen en zo kun je heel de Bijbel vermengen met je eigen humanistische agenda. Maar of dat overeenstemt met wat de wet en de profeten en de apostelen zeggen, is nog maar de vraag. Ik denk dat je daarmee wegloopt uit Gods Openbaring.
Sion in de profeten
Talloze voorbeelden zijn hier te noemen. In Jesaja gaat het om de tweede exodus, maar in feite om elke exodus. De profetieën doven niet uit bij de komst van het Joodse volk uit Babel. Waarom zouden ze trouwens terugkeren naar Sion, als dit niet de plaats is die de Heere zelf noemt als de woonplaats Israël: “Dit is de plaats van mijn troon, de plaats van mijn voetzolen. Hier zal Ik tot in eeuwigheid wonen in het midden van de kinderen van Israël” (Ezechiël 43:7). In Jesaja wordt gesproken over de vertroosting van Jeruzalem, woorden die Simeon uit het Evangelie van Lukas opnieuw verwacht. En Johannes de Doper is daar de stem die roept in de woestijn (Jesaja 40).
In de profeet Zacharia horen we hoe de Heere met vurig verlangen aan Sion denkt en belooft dat niet alleen Zijn volk maar ook Hij zelf daar zal terugkeren (Zacharia 8). De profeet ziet de volkeren optrekken naar Jeruzalem in een poging om Jeruzalem weg te tillen uit het midden van de naties. Maar de profeet ziet ook hoe de Heere ingrijpt en de volkeren na een dag van gericht en oordeel heenleidt naar Sion om Hem daar tijdens het Loofhuttenfeest te aanbidden.
“Van de profeet Zacharia horen we hoe de Heere met vurig verlangen aan Sion denkt en belooft dat niet alleen Zijn volk maar ook Hij zelf daar zal terugkeren.”
In het Bijbelboek Joël lezen we hoe de Heere brult als een leeuw, zodat de hemel en de aarde beven. Daar lezen we ook dat Hij het is die in Sion woont, Zijn heilige berg (Joël 3:17). En dat Jeruzalem zelfs de enige plaats op aarde zal zijn waar redding te vinden is (Joël 2:32). Het is ook deze profeet die vertelt hoe de Heilige Geest daar op heel Gods volk zal worden uitgestort, hoe daar dus Gods komende Rijk begint.
Sion in de Geschriften
In Psalm 50 lezen we hoe de Heere vanuit Sion verschijnt om een rechtsgeding met Zijn volk te houden. Hij verschijnt in blinkende luister en zegt dat Hij als het ware troont op de lofzangen van Israël. De liederen Hamaäloth: Psalm 120-134 noemen zevenmaal het woord shalom. Het midden daarvan is Psalm 122, waar opgeroepen wordt te bidden voor de vrede van Jeruzalem. Ook het woord Sion komt zevenmaal voor, de zogenaamde menorah-structuur heeft als midden Psalm 129, waar gezegd wordt dat zij beschaamd zullen worden die Sion haten.
Natuurlijk kennen we ook Psalm 137 waar de ballingen weigeren om een lied van Sion te zingen op vreemde grond. De ballingschap en de diaspora kan wel verklaard worden, maar het blijft een abnormaliteit. En als het een straf op de zonde is, dan heeft dat oordeel door de trouw van God altijd een einde. In de psalm horen we: “Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, als ik uwer niet gedenk, als ik Jeruzalem niet verhef boven mijn hoogste vreugde.” 32 woorden worden in het lied gewijd aan Jeruzalem. Dat is de getalswaarde van Kabod, de heerlijkheid van de Heere.
Het einde van de Ketubim vormt het boek Kronieken, met als slotzin: “Wie nu onder u tot enig van zijn volk behoort – de Heere, zijn God, zij met hem, hij trekke op!” En zo eindigt de Hebreeuwse Bijbel veelbetekenend waar zij begon, bij Sion.
“Alleen het Joodse volk kent blijkbaar de rouw om Jeruzalem. De latere kerk kende die rouw niet.”
Sion doet ertoe!
Sion is de naam voor Jeruzalem, maar de stad draagt die naam vanwege het hart van Jeruzalem, de berg van God, waar de tempel staat. Dat geeft de stad zijn heerlijkheid. Dat is in het evangelie ook zo. Het wordt door Jezus de stad van de grote Koning genoemd (Matteüs 5:35), maar in het Evangelie van Lukas draait het om de tempel. Vandaar dat als Jezus na Zijn lange reis op weg naar Jeruzalem, eenmaal in de stad direct naar de tempel gaat. Dat is immers het huis van God. Hij weent ook om het lot van de stad. Hij ziet de stad omsingeld door de vijanden en dat geen steen op de andere gelaten zal worden, omdat de stad van God het omzien naar haar niet doorzien heeft. Dan zou het blijkbaar anders gegaan zijn (Lukas 19:41 en 23:28).
We kunnen ons hier natuurlijk afvragen of de ondergang van de stad een oordeel is of dat het niet herkennen van Jezus ruimte gegeven heeft aan de overste van de wereld om de stad van God te vernietigen. Jezus spreekt over Zijn lijden als de ure van de duisternis die aanbreekt en zo zal die ure ook aanbreken over Jeruzalem. Maar Jezus weent wel. En ik meen te moeten opmerken dat Jezus hierin alleen staat. Dat wil zeggen, alleen het Joodse volk kent blijkbaar de rouw om Jeruzalem. De latere kerk kende die rouw niet en ook nu wordt de lofprijzing in de grote kerken, of ze nu evangelisch of orthodox zijn, maar zelden onderbroken voor de tranen om Jeruzalem.
Men heeft later Jeruzalem gelaten voor wat het is, hooguit een pelgrimsplaats omdat Jezus er gestorven en opgestaan was. En zo vergaat het de stad misschien nog steeds. Is er ook maar een moment onrust omdat Sion bezet is door een vreemde god?
“Hoe zouden wij de naam van God heiligen als wij Jeruzalem niet noemen? Jezus reikt ons de hand. Hij neemt ons mee naar een volk, een land en een stad. Jezus neemt ons mee naar Sion.”
Stel je voor dat Jeruzalem inderdaad is achtergelaten in de heilsgeschiedenis en er niet meer toe doet. Dan kunnen we vrolijk of ingetogen verder gaan met waar wij mee bezig zijn in de kerk. Maar stel je toch eens voor dat het er wel toe doet! Dat de Heere ook nu in vurige ijver voor de stad ontbrand is. En dat, als altijd, de machten van de duisternis de eersten zijn die het doorzien. De overste van de wereld weet dat hij verloren heeft, maar hij heeft er alles aan gedaan om het volk, dat God zelf geformeerd heeft, de komst van Gods Koninkrijk niet te laten meemaken. Dat is mislukt, maar hij mobiliseert nu de wereld om de plaats waar dat Koninkrijk komt het Joodse volk te ontzeggen. Het doet ertoe dat onze lofprijzing ons geen moment stoort en dat we er met onze rug naar toe staan. We zijn helemaal niet ontbrand voor Jeruzalem. Hoe moet dat dan?
Ik denk dat wij in de verkondiging, de catechese en in het diaconaat Jeruzalem moeten gedenken. Het is goed om elkaar te vertroosten met Gods woorden en het is goed om elkaar te wijzen op redding en behoud en vooral om de naam van God te heiligen. Iemand uit het Joodse volk schreef dat christenen geen enkele moeite hebben om God en Zijn Woord te verbinden met hun eigen persoonlijke leven, maar dat zij er moeite mee hebben om te zien hoe de Heere ingrijpt in de wereld daarbuiten en om Hem te verbinden met wat er gebeurt met Israël. Hoe Hij de wereld regeert. En ik denk dat hij gelijk heeft.
Hoe zouden wij de naam van God heiligen als wij Jeruzalem niet noemen? Jezus reikt ons de hand, maar als Hij ons meeneemt op Zijn weg, is de hemel niet het einddoel, Hij neemt ons mee naar een volk, een land en een stad. Jezus neemt ons mee naar Sion, want dat doet ertoe, al sinds het begin van de schepping. En het zal het blijven doen tot het einde. Zionisme is daarom een heilig woord: God is zelf een Zionist.
Dit artikel verscheen eerder in het theologisch kwartaalblad Israël en de Kerk, een gratis magazine van Christenen voor Israël voor theologen en voorgangers. Klik hier om gratis abonnee te worden. Daarnaast bestaat Israël en de Kerk dit jaar 25 jaar. Dit wordt gevierd met een boeiend symposium op woensdag 2 september 2026. Dit symposium is voor alle lezers van Israël en de Kerk, predikanten en theologisch geïnteresseerden. Klik hier om aan te melden.