Het is bein hazmanim in Israël. De vakantieperiode tussen de reguliere leerperiodes van jeshivas (Talmoedscholen) en cheidarim (basisscholen). De gewone dagindeling valt weg, veel families gaan op pad en de kinderen zijn thuis… allemaal. De hele dag. De officiële vertaling van bein hazmanim mag dan “tussen de tijden” zijn, maar in de praktijk betekent het vooral dat de kinderen thuis zijn en hun ouders langzaam tot waanzin drijven.
Over de zomervakantie wordt vaak gesproken alsof ook de ouders vakantie hebben. Een charmante gedachte, die alleen helaas weinig met de werkelijkheid te maken heeft. De echte vakantie van ouders begint pas wanneer die van de kinderen voorbij is. Zodra de schooldeuren weer opengaan en ouders opnieuw de stilte ontdekken... en eindelijk weer de mogelijkheid hebben om een kop koffie te drinken terwijl die nog warm is. Maar voorlopig is het nog bein hazmanim, en moeten ouders al die kostbare kleine zegeningen die de Eeuwige ons geschonken heeft zien bezig te houden.
Maar de hitte in Jeruzalem maakt dat er niet eenvoudiger op. Buiten is het bloedheet. Activiteiten die vanuit een ruimte met airconditioning geweldig klonken, worden na amper vijf minuten onder de brandende zon een stuk minder aantrekkelijk. Je pakt flessen water, hoeden, boterhammen, zonnebrandcrème en genoeg eten voor een kleine expeditie. Binnen tien minuten heeft er iemand dorst, even later moet een ander naar het toilet en weer een ander kondigt aan dat hij eigenlijk helemaal niet wilde lopen. Maar wat doet een ouder niet voor zijn kinderen?
Eerder deze week kwamen we uitgeput thuis nadat we de hele dag met het gezin op stap waren geweest. Toch hadden we voor de volgende dag alweer een grote tiyoel, een familie-uitstapje, gepland. De kinderen waren ontzettend enthousiast. Om 1.15 uur ’s nachts terwijl ik nog aan het leren en schrijven was, stond mijn achtjarige zoon plotseling naast mij. “Ik kan niet slapen” zei hij. “Waarom niet?”
“Omdat”, legde hij uit, “ik vaak niet kan slapen op de avond voordat we ergens naartoe gaan. Ik moet er de hele tijd aan denken.” Ik stuurde hem terug naar bed. Om 2.55 uur, net toen ik zelf wilde gaan slapen, stond hij opnieuw naast mij. Het uitstapje had hem nog altijd niet losgelaten. Zijn lichaam was moe, maar zijn gedachten waren al vooruitgereisd naar de volgende dag.
Er zat iets heel puurs in zijn opwinding. Het uitstapje van morgen was niet zomaar een dag. Hij kon het voor zich zien, ernaar uitkijken en het bijna beleven nog voordat het was begonnen. Nadat hij weer naar bed was gegaan, dacht ik over zijn woorden na en besefte ik dat daarin een les voor ons allemaal verborgen lag.
Wij bevinden ons werkelijk “tussen de tijden”. Niet alleen tussen de vaste leerperiodes en schoolroosters, maar ook tussen de geestelijke tijden van de Joodse kalender. De maanden Elul en Tishrei naderen, dagen van terugkeer naar de Almachtige en van G-ddelijke barmhartigheid. Dagen waarin wij ons voorbereiden om opnieuw voor onze Koning te staan. Technisch gezien weten wij dat Rosj Hasjana eraan komt. Maar houdt de nadering van die dag ons daadwerkelijk bezig?
“Rosj Hasjana is niet alleen de dag waarop wij worden geoordeeld. Het is de dag waarop wij bewust het Koningschap van Hashem aanvaarden.”
Waarom
heeft het zo lang geduurd?
“Als Rosj Hasjana de dag is waarop ik Hashem tot Koning kroon, moet ik mij afvragen wat Zijn Koningschap betekent. Is er nog een hoekje van mijn leven waarin ik de Koning niet heb toegelaten?”