Op 22 september heeft Nederland een verbod ingevoerd op de invoer, aankoop en verkoop van goederen uit Israëlische nederzettingen in Judea en Samaria, Oost-Jeruzalem en de Golanhoogten. Israël heeft daarop op 27 september gereageerd. Minister van Buitenlandse Zaken Gideon Sa’ar heeft de Nederlandse ambassade meegedeeld dat de Israëlische diplomatieke accreditaties van de Nederlandse diplomaten die vanuit Ramallah werken, worden ingetrokken. Zij hebben zeven dagen om hun door Israël afgegeven diplomatieke documenten in te leveren. Daarna vervallen hun door Israël verleende diplomatieke privileges en immuniteiten.
De Nederlandse diplomaten kunnen volgens Israël hun werkzaamheden ten aanzien van de Palestijnen voortzetten vanuit Palestijns Autoriteitsgebied, maar Israël wil hen niet langer diplomatiek erkennen voor werkzaamheden die Israëlisch grondgebied of door Israël gecontroleerd gebied vereisen.
Israël had eind augustus al twee Nederlandse functionarissen verwijderd uit het internationale coördinatiecentrum voor Gaza in Kiryat Gat, eveneens als reactie op het Nederlandse nederzettingenbeleid.
Er zijn momenten waarop de geschiedenis zich lijkt te versnellen. Wat gisteren nog ondenkbaar leek, wordt vandaag werkelijkheid. De diplomatieke en economische spanningen tussen Nederland en Israël nemen in hoog tempo toe. Een relatie die ooit werd gekenmerkt door bijzondere historische, culturele en menselijke verbondenheid, is in korte tijd tot een dieptepunt gekomen. Over en weer worden maatregelen aangekondigd. Het vertrouwen verdwijnt. Met het verdwijnen van vertrouwen wordt ook het zicht op een uitweg steeds kleiner.
Juist daarom klinken de twee verhalen die wij op de twee dagen van Joods Nieuwjaar (Rosj Hasjana) lazen, dit jaar bijzonder indringend.
“Tweemaal klinkt hetzelfde geheim: het probleem is werkelijk, het gevaar is werkelijk – maar wat wij zien, is niet noodzakelijk alles wat er is.”
Hagar en Jisjmaël
Op de eerste dag lezen wij over Hagar en Jisjmaël in de woestijn. Het water is op. Hagar ziet geen uitweg meer. Zij legt haar zoon onder een struik en gaat op afstand zitten. Zij kan het niet verdragen zijn dood voor haar ogen te zien. Alles wat zij ziet, is wanhoop.
Dan gebeurt er iets wonderlijks: “G’d opende haar ogen en zij zag een waterbron.” De Thora zegt niet dat G’d op dat moment een bron schiep. De bron was er al. Het probleem was dat Hagar haar niet zag.
Dat is een van de diepste boodschappen van Rosj Hasjana. Wanneer angst en wanhoop ons blikveld vernauwen, zien wij alleen nog wat misgaat. Wij zien het lege waterreservoir, de confrontatie, de beschuldigingen, de boycot, de diplomatieke ruzie. Wij zien geen uitweg meer.
Abraham en Isaak
Op de tweede dag staat Abraham op de berg Moria. Isaak ligt gebonden op het altaar. Op het allerlaatste moment grijpt de engel in. En dan lezen wij: “Hij hief zijn ogen op en zag.” Daar staat de ram. Ook hier is het antwoord er. Abraham moet zijn ogen opheffen om het te kunnen zien.
Twee dagen Rosj Hasjana. Twee verhalen. Twee ouders, twee kinderen, twee crisissituaties. En tweemaal klinkt hetzelfde geheim: het probleem is werkelijk, het gevaar is werkelijk – maar wat wij zien, is niet noodzakelijk alles wat er is. Dat is precies de boodschap die wij vandaag nodig hebben.
Elkaar zien
Nederland en Israël hebben een lange geschiedenis achter zich. Er zijn fundamentele meningsverschillen, ook over de oorlog, de Palestijnse kwestie, nederzettingen, mensenrechten en de toekomst van het Midden-Oosten. Die verschillen mogen worden uitgesproken. Maar wanneer diplomatie verandert in escalatie en economische druk in een steeds verdergaande confrontatie, dreigt iets wezenlijks verloren te gaan: het vermogen om elkaar nog te zien.
En juist dat is gevaarlijk. Want dit geruzie helpt uiteindelijk niemand. Niet Israël, niet Nederland en zeker niet de Palestijnen, voor wie vrede, veiligheid, economische ontwikkeling en een levensvatbare toekomst alleen maar moeilijker worden wanneer internationale relaties verharden tot wederzijdse strafmaatregelen en blokkades.
“Rosj Hasjana leert ons dat wij niet mogen concluderen dat er geen uitweg is alleen omdat wij die op dit moment niet kunnen zien.”
Opdracht
Het nieuwe Joodse jaar is nog maar nauwelijks begonnen. Wij weten niet wat het ons zal brengen. Maar Rosj Hasjana leert ons dat wij niet mogen concluderen dat er geen uitweg is alleen omdat wij die op dit moment niet kunnen zien.
Hagar moest haar ogen laten openen. Abraham moest zijn ogen opheffen. Misschien is dat ook onze opdracht: niet om de werkelijkheid te ontkennen of om de ernstige meningsverschillen tussen Nederland en Israël weg te poetsen. Misschien moeten we opnieuw leren kijken, voorbij de woede, de diplomatieke dreigementen en de economische maatregelen. We moeten blijven zoeken naar die bron die wij nu niet zien en naar die ram die al klaarstaat.
Gebed
De grootste tragedie zou niet alleen zijn dat Nederland en Israël van elkaar verwijderd raken. De grootste tragedie zou zijn dat wij op een gegeven moment niet meer willen zien wat ons nog met elkaar verbindt. Daarom zou onze gebedstekst aan het begin van dit nieuwe jaar heel eenvoudig kunnen zijn:
“G’d, open onze ogen. Laat ons zien wat wij nu niet kunnen zien. Laat ons de uitweg zien voordat de tunnel nog donkerder wordt. Geef onze leiders wijsheid om niet alleen te reageren maar ook vooruit te kijken. En laat ons opnieuw ontdekken dat vrede niet begint wanneer alle verschillen verdwenen zijn, maar wanneer mensen elkaar ondanks die verschillen weer kunnen zien.”
Sjana tova oe-metoeka, een goed en een zoet jaar.