Sluiten

Zoeken.

Artikelen

Activiteiten

Kennisbank

Podcasts

Projecten

Publicaties

Videos

Overig

Joodse wereld

Terug naar overzicht

De zegen verborgen in vloek

Door Yoel Schukkmann - 

24 juni 2026

F260224CG117

Bilam sprak een zegen uit over het Land Israël, hoewel hij het wilde vervloeken. | Foto: Flash90

Opnieuw zien we hoe de wereld van de politiek doet wat politiek nu eenmaal doet. Amerika kan met Iran aan tafel zitten, een akkoord sluiten, spreken in de taal van vrede en stabiliteit, en Israël aan de kant laten staan.

En ineens zijn al die complotdenkers die riepen dat “Israël Amerika controleert” en dat “Israël Trump controleert” opvallend stil geworden. Want de waarheid was altijd al duidelijk. Israël heeft Trump nooit gecontroleerd. En Trump controleert Israël niet. Politici hebben eigen belangen. Regeringen maken berekeningen. Bondgenoten hebben grenzen. De ene dag spreken ze warm, de volgende dag stellen ze teleur. Zo werkt de wereld, en daar moeten wij nooit naïef over zijn. Maar we moeten ook onthouden dat uiteindelijk niet politici en niet regeringen de geschiedenis sturen. Alleen de Eeuwige doet dat.

Dat betekent niet dat wij geen frustratie of teleurstelling voelen. Die voelen we wel. En het betekent ook niet dat ieder kortetermijnbeeld er goed uitziet. Soms ziet het er juist pijnlijk uit, verwarrend en diep onrechtvaardig. Maar het Joodse volk heeft geduld. Duizenden jaren lang hebben wij geleerd het lange spel te spelen. Niet omdat wij passief zijn, en niet omdat wij niet zien wat er gebeurt, maar omdat wij weten dat de geschiedenis niet alleen geschreven wordt in Washington, Teheran, Jeruzalem, Brussel, Den Haag, of bij de Verenigde Naties. Boven hen allemaal staat er een Ribono shel Olam, de Meester van de wereld.

Wekelijkse Thora-lezing

De Thora-lezing van deze week herinnert ons daar heel duidelijk aan. Wij lezen hoe het Joodse volk bij de ingang van het Land Israël staat. Na jaren in de woestijn, na het manna, de wolken van glorie, de bron van Miriam, en alle open wonderen, zijn zij niet langer alleen een volk dat door de woestijn trekt. Zij staan op het punt een volk in haar eigen land te worden. En plotseling worden de volkeren bang.

Balak, de koning van Moab, ziet de Israëlieten en raakt in paniek. Maar hij komt niet eerst met een leger. Hij komt met woorden. Hij laat Bilam komen, de niet-Joodse profeet van de volkeren, en vraagt hem het Joodse volk te vervloeken. “Kom nu, vervloek dit volk voor mij, want het is machtiger dan ik; misschien zal ik het kunnen verslaan en uit het land verdrijven” (Numeri 22:6). Op het eerste gezicht klinkt Balak als een bezorgde koning die zijn grenzen beschermt. Hij is “bezorgd” omdat hij “bang” is en zich “bedreigd” voelt. Het klinkt allemaal heel redelijk, heel diplomatiek en heel bekend.

Maar de Joodse Geleerden onthullen wat er werkelijk achter zijn woorden schuilging. Balak probeerde niet alleen het Joodse volk van Moab te verdrijven. Hij wilde verhinderen dat zij het Land Israël überhaupt zouden binnengaan. Op de woorden “En ik zal hen uit het land verdrijven” zegt de Midrash (samenstelling van Joodse overleveringen): “Hij vroeg slechts om hen weg te drijven, zodat zij het Land Israël niet zouden binnengaan” (Bamidbar Rabba 20:8). Balak was niet alleen bang voor Joden die langs zijn grondgebied trokken. Hij was bang voor Joden die hun plaats zouden bereiken. Hij was bang dat het Joodse volk zou worden wat het bedoeld was te zijn.

En in die zin zou Balak zich heel gemakkelijk thuis voelen in bepaalde moderne gesprekken. Hij was de eerste die de politiek correcte taal kende. “Ik ben niet tegen Joden… alleen tegen zionisten,” zou hij zeggen. “Ik heb geen probleem met het Jodendom als religie. Ik ben alleen tegen hun aanspraak op het land.” Met andere woorden, houd het Jodendom spiritueel, privé, onschadelijk, ergens zwevend in de woestijn. Laat het alleen niet de geschiedenis binnengaan. Laat het geen grond raken. Laat het geen levend volk worden in het land dat Hashem beloofde aan de aartsvaders Avraham, Yitzchak (Izaak) en Yaakov (Jacob).

En dat is een fundamentele vergissing. Want het Jodendom is niet slechts een religie in de moderne betekenis van het woord. Het is niet alleen een verzameling overtuigingen die overal op precies dezelfde manier kan worden beoefend. Een Jood kan en moet G-d overal dienen. De Thora werd ons gegeven in de woestijn, en werd met ons meegedragen door iedere ballingschap heen. Synagogen en leerhuizen werden gebouwd in Babylonië, Spanje, Polen, Marokko, Jemen, Nederland, Amerika, en in iedere hoek van de wereld waar Joodse tranen vielen. Maar toch is een Jodendom zonder Eretz Yisrael, het Land Israël, een onvolledig Jodendom. Dit is niet vanwege politiek, ideologieën of regeringen. Lang voordat die allemaal bestonden, maakte Eretz Yisrael al deel uit van de eerste belofte aan Avraham.

“Het Land Israël is geen accessoire van het Jodendom. Het is verweven met de ziel van de natie.”

Daarom begint Rashi (1040-1105) zijn commentaar op de Thora, op Genesis 1:1, met de vraag waarom de Thora begint met het verhaal van de schepping, en niet met het eerste gebod dat aan het Joodse volk werd gegeven. Omdat de volken van de wereld op een dag tegen de Joden zouden zeggen: “Jullie zijn rovers, want jullie hebben het land gestolen.” En het Joodse volk zou antwoorden: “De hele aarde behoort aan Hashem. Hij heeft haar geschapen, en Hij geeft haar aan wie Hij wil. Door Zijn wil gaf Hij haar aan hen, en door Zijn wil nam Hij haar van hen en gaf Hij haar aan ons.”

Het Land was in de tranen van Yaakov. Het was in de gebeden van Moshe Rabbeinu, Mozes. Het was in ieder tempeloffer, in iedere alija le’regel (pelgrimstocht naar Jeruzalem), in iedere “mogen onze ogen Uw terugkeer naar Zion in ontferming aanschouwen,” dat wij drie keer per dag in onze gebeden zeggen, in ieder “gebed na de maaltijd”, in ieder gebroken glas onder de choepa, en in iedere Jood die uitriep: “Volgend jaar in Jeruzalem.” En het is nog steeds zichtbaar in ieder Joods huis, in dat ene stukje muur dat onafgewerkt wordt gelaten op de meest zichtbare plek… als een stille herinnering aan de verwoesting van de Heilige Tempel, en aan de ballingschap die daarop volgde.

Pelgrimsfeesten

Het land is geen accessoire van het Jodendom. Het is verweven met de ziel van de natie. Daarom is het verhaal met de ezel van Bilam veel meer dan het op het eerste gezicht lijkt. Bilam is onderweg om het Joodse volk te vervloeken. Drie keer ziet de ezel de engel die de weg blokkeert, terwijl Bilam niets ziet, en hij slaat de ezel drie keer. “Hashem opende de mond van de ezel, en zij zei tegen Bilam: Wat heb ik jou gedaan, dat je mij deze drie regalim (pelgrimsfeesten) hebt geslagen?” (Numeri 22:28). Rashi brengt van onze Geleerden dat de woorden “drie regalim” niet toevallig waren, “het was een hint aan hem: jij probeert een volk uit te roeien dat ieder jaar drie regalim viert?” Waarom is dát het antwoord aan Bilam? Het Joodse volk heeft zoveel geboden. Waarom juist de drie regalim?

De Thora zelf beschrijft de drie regalim als de momenten waarop wij voor Hashem verschijnen: “Drie feesten zul je voor Mij vieren in het jaar” (Exodus 23:14), en: “Drie keer per jaar zullen al je mannen verschijnen voor Hashem, je G-d, op de plaats die Hij zal kiezen” (Deuteronomium 16:16).

Rebbe Yehuda Aryeh Leib Alter (1847-1905), beter bekend als ‘de Sfas Emes’, legt uit dat de drie feesten de diepe verbinding tonen tussen het Joodse volk en de plaats die Hashem heeft gekozen, de Tempelberg. Op Pesach, Sjavoe'ot en Soekot verlieten de Joden hun huizen en gingen zij op naar Jeruzalem, naar de Heilige Tempel, naar de makom asher yivchar Hashem, de plaats die Hashem zou kiezen.

De Sfas Emes schrijft dat “drie regalim” aan Bilam liet doorschemeren dat hij een volk wilde ontwortelen dat drie regalim viert. Waarom specifiek deze mitzvah (gebod)? Omdat deze drie feesten, wanneer de kinderen van Israël opgingen voor de pelgrimstocht, getuigden dat zij bestemd zijn voor de erfenis van het Land en de Heilige Tempel, zoals er staat: “al je mannen zullen verschijnen… op de plaats die Hij zal kiezen.” En dat is precies wat Bilam niet kon ontwortelen. Een volk zonder centrum kan worden verstrooid. Een volk zonder heilige plaats kan door anderen worden gedefinieerd. Een volk zonder nationaal hart kan van land naar land worden geduwd en te horen krijgen: “Wees dankbaar dat wij jullie toestaan te bestaan.”

Maar het Joodse volk is niet zo’n volk. Onze voeten weten waar zij heen moeten gaan. Zelfs in ballingschap richt het Joodse hart zich naar Jeruzalem. Zelfs wanneer een Jood lichamelijk ver weg is, bidt hij richting de plaats waar de Shechina, de heilige aanwezigheid van G-d, rust. De drie regalim verkondigen dat het Joodse volk niet wortelloos is. Het heeft een centrum en het heeft een thuis. Het heeft een heilige berg, een stad en een belofte.

Zegen

Bilam kwam om dát te vervloeken. De ezel herinnerde hem eraan dat dit niet vervloekt kan worden. En dat is ook wat Bilam zelf gedwongen wordt te zien wanneer hij zegt: “Want vanaf de toppen van de rotsen zie ik hem, en vanaf de heuvels aanschouw ik hem. Het is een volk dat alleen woont, en onder de volken niet meegerekend wordt” (Numeri 23:9). Rashi legt daar uit dat Bilam terugkeek naar de wortels van het Joodse volk, naar de aartsvaders en aartsmoeders. Maar de Sfas Emes leest het vers ook volgens de eenvoudige betekenis. Bilam keek uit over de bergen en heuvels van het Land Israël, en in het land zelf zag hij het karakter en de ziel van het Joodse volk. Hij zag dat het Joodse volk en het Land met elkaar verbonden zijn.

En dan komt de beroemde zegen die iedereen kent: “Hoe goed zijn uw tenten, Yaakov; uw woonplaatsen, Yisrael” (Numeri 24:5). Deze woorden zijn zo geliefd dat we ze aan het begin van onze gebeden zeggen. Iedere ochtend loopt een Jood de synagoge binnen met woorden die voor het eerst kwamen uit de mond van iemand die ons wilde vervloeken. Dat alleen al is een les dat niet iedere stem om ons heen bepaalt wie wij zijn. Soms komt de zegen juist door de mond van degene die het tegenovergestelde wilde.

“Onze voeten weten waar zij heen moeten gaan. Zelfs in ballingschap richt het Joodse hart zich naar Jeruzalem.”

De wereld kan over ons spreken met angst, haat of bezorgdheid. Ze kan ons analyseren, beschuldigen, toespreken, beklagen, veroordelen en uitleggen. Maar een Jood moet onthouden dat wij niet worden gedefinieerd door de ogen van Balak of door de mond van Bilam; niet door de Balaks en Bilams van vroeger, en niet door die van vandaag. Wij worden gedefinieerd door wat de Eeuwige ondanks hen in de mond legt.

Maar er ligt hier nog een andere prachtige betekenis verborgen. De Malbim, rabbijn Meir Leibush Wisser (1809-1879), wijst erop dat Bilam twee verschillende woorden gebruikt: “ohel” en “mishkan”. Een ohel is een tent, een tijdelijke woning. Een mishkan betekent in deze context een meer vaste, permanente woonplaats. In de woestijn woonde het Joodse volk in tenten. Het was een heilig en wonderlijk leven. Het manna viel uit de hemel. De wolken van glorie beschermden hen. De Shechina was met hen. En toch was het nog steeds een ohel. Het was tijdelijk, en behoorde daarom toe tot het niveau van “Yaakov” (Jacob).

De Malbim legt uit dat hoewel het Joodse volk in de woestijn in tenten woonde, zij zich al voorbereidden om het Land Israël binnen te gaan en in permanente huizen te wonen. Daarom zegt Bilam eerst: “Hoe goed zijn uw tenten, Yaakov,” en daarna: “uw woonplaatsen, Yisrael.” De naam Yisrael, legt de Malbim uit, is hoger dan de naam Yaakov, omdat het Joodse volk, wanneer ze het Land zou binnengaan, zou opstijgen naar een hoger, meer geopenbaard niveau.

Dit is niet zomaar een poëtisch onderscheid dat de Thora gebruikt. We zien dat Yaakov Avinu zelf de naam Yisrael kreeg nadat hij met de engel had geworsteld: “Je naam zal niet langer Yaakov genoemd worden, maar Yisrael; want je hebt gestreden met G-d en met mensen, en je hebt overwonnen” (Genesis 32:29). Op dit moment is Yaakov al heilig. Hij is al de uitverkorene. Maar Yisrael is een hoger geopenbaard niveau van kracht, missie, waardigheid en overwinning na strijd.

De Malbim leert ons dat het leven in de midbar, de woestijn, heilig was, maar niet het uiteindelijke doel. Hashem haalde ons niet uit Egypte zodat wij voor altijd in de woestijn zouden blijven, omringd door wonderen en losgemaakt van het gewone leven. Het doel was om het land binnen te gaan. Huizen te bouwen. Velden te planten. De geboden te houden die afhankelijk zijn van het land, en heiligheid in de fysieke wereld te brengen. En dat is precies wat Balak probeerde te voorkomen.

Rebbe Shmuel Bornstein (1855-1926) van Sochatchov legt uit dat Balak wilde dat het Joodse volk in de woestijn zou blijven, levend van het manna, de bron van Miriam en de wolken van glorie, zonder echte verbinding met de materiële wereld. Zijn angst was dat zodra het Joodse volk het Land Israël zou binnengaan, zij de fysieke wereld zelf zouden heiligen door de geboden die met het land verbonden zijn.

Misschien kon Balak Joodse spiritualiteit in de woestijn verdragen. “Laat hen hun wonderen hebben, laat hen leren en bidden ergens buiten de normale wereld,” dacht hij waarschijnlijk. Maar hij kon niet verdragen dat Joden het Land Israël zouden binnengaan en zouden laten zien dat zelfs land, landbouw, huizen, rechtbanken, zakenleven, gezinsleven en nationaal bestaan onderdeel kunnen worden van het dienen van G-d in een materiële wereld.

De niet-Joodse volken, toen zowel als nu, hebben vaak liever de Jood als symbool. De Jood als herinnering… als slachtoffer. De Jood als moreel idee. De Jood als museumstuk, of als privégelovige. Maar de Jood als levend volk, met een levende Thora in zijn handen en het Heilige Land onder zijn voeten… dat doet Balak beven. Want dan is het Jodendom ineens niet alleen maar een idee. Het wordt werkelijkheid.

Daarom zijn de woorden “Hoe goed zijn uw tenten” niet alleen een compliment over Joodse tenten. Het is een profetie over de Joodse bestemming. “Hoe goed zijn uw tenten, Yaakov” zelfs in ballingschap, zelfs onderweg, zelfs in tijdelijke woningen; hoe mooi is een Joods huis, een Joodse plaats van gebed, een jesjiva, een Joodse moeder die Sjabbat-kaarsen aansteekt, een Joodse vader die met een kind leert, een Joods gezin dat Sjabbat houdt in een wereld die het niet begrijpt.

Maar “uw woonplaatsen, Yisrael” dat is het diepere verlangen. Het Joodse volk dat niet alleen in tenten overleeft, maar op zijn eigen plaats staat. Niet alleen standhoudt in ballingschap, maar terugkeert naar het land waar de aartsvaders wandelden en waar de Heilige Tempel herbouwd zal worden. En dit is het antwoord aan Balak in iedere generatie: je kunt proberen ons van buitenaf te definiëren. Je kunt je angst “bezorgdheid” noemen. Je kunt zeggen dat je niets tegen Joden hebt, alleen tegen “zionisten.” Je kunt proberen het Jodendom te reduceren tot een privéreligie zonder nationaal lichaam, zonder heilige geografie, zonder levende aanspraak, zonder Jeruzalem in het centrum.

Maar jullie eigen profeet heeft jullie al geantwoord: “Hoe goed zijn uw tenten, Yaakov; uw woonplaatsen, Yisrael.” Zelfs degene die ingehuurd was om ons te vervloeken, werd gedwongen juist dat te zegenen waar Balak bang voor was: de Joodse tenten, de Joodse woonplaatsen, het Joodse volk dat wortel schiet in de plaats die Hashem voor hen heeft gekozen.

Wij worden niet gedefinieerd door de paniek van Balak. Wij worden niet gedefinieerd door de woorden van Bilams. Wij worden niet gedefinieerd door de kranten, de universiteiten, de diplomaten, de demonstranten, of de beleefde stemmen die ons vertellen dat zij alleen maar “bezorgd” zijn en zogenaamd het “beste” voor ons in zin hebben.

Wij worden gedefinieerd door de zegen van Hashem. En soms, in Zijn hemelse leiding, laat Hij die zegen juist horen door een mond die kwam om te vervloeken.

Yoel Shukkmann

De auteur

Yoel Schukkmann

Yoel Schukkmann groeide op in Nederland en maakt deel uit van een chassidische gemeenschap, een stroming binnen het ultra-orthodoxe Jodendom. In zijn tienerjaren verhuisde hij naar Israël om in...

Doneren
Abonneren
Agenda