Sluiten

Zoeken.

Artikelen

Activiteiten

Kennisbank

Podcasts

Projecten

Publicaties

Videos

Overig

De laatste zegen

Door Yoel Schukkmann - 

14 april 2026

F260413CG06

Een Holocaustoverlevende houdt een Israëlische vlag vast. | Foto: Flash90

Vandaag is het Yom HaShoah. Nog maar vorige week hebben wij aan de Sedertafel woorden opgelezen die tegelijk oud en pijnlijk actueel zijn: “In elke generatie staan ze tegen ons op om ons te vernietigen, maar de Heilige Gezegend is Hij redt ons uit hun handen.”

Ook nu gelden deze woorden zo zeer. Wij leven opnieuw in een tijd waarin onze vijanden openlijk over onze vernietiging spreken, en waarin de oude haat zich weer zonder schaamte heeft laten zien. Bij de Seder verklaren wij dat dit niets nieuws is. Het heeft ons door alle generaties heen vergezeld. Maar naast die vaststelling staat nog een andere waarheid. Dat G-d Zijn volk door elke duisternis heen draagt. Wat mij doet denken aan een andere Pesach. Een andere Yom Tov-ochtend, in een andere generatie.

Er is een aangrijpend waargebeurd verhaal over een oudere Jood die op de eerste dag van Pesach naar een bepaalde synagoge kwam om met zijn zoon te zijn. De rabbijn van deze synagoge gaf hem een ereplaats. Hij zat daar stilletjes in gebed gebogen over zijn gebedenboek, totdat men bij het gedeelte van Birkas Kohanim kwam, de priesterlijke zegen, het moment in de gebedendienst waarop de kohaniem, afstammelingen van Aharon HaKohen (Aaron de hogepriester), naar voren komen om de aanwezigen te zegenen met de woorden uit de Thora. In Israël gebeurt dit dagelijks; buiten Israël gebeurt het in de meeste gemeenschappen alleen op Joodse feestdagen. Zoals altijd op dat plechtige moment viel de hele ruimte stil. Maar op het moment dat de zegen begon, brak de oude man. Hij stond plotseling op, overmand door tranen, en rende de synagoge uit. Na het gebed ging de rabbijn naar hem toe. Waarom was hij weggegaan? Wat had hem zo diep geschokt?

De oude man legde de rabbijn uit dat iedere keer wanneer Birkas Kohanim begint, hij buiten ging staan en zacht voor zichzelf de melodie, het ritme, en de bewegingen van een andere priesterlijke zegen herhaalde: de laatste Birkas Kohanim die hij in Bergen-Belsen had meegemaakt. Zo wilde hij die nooit vergeten, zolang hij leefde. Daarna vertelde hij zijn verhaal.

Hij was als kind in Bergen-Belsen geweest. Daar, in een verborgen bunker, hadden Joodse gevangenen het aangedurfd om een Seder te houden. Geen Seder van comfort, geen Seder met helder kaarslicht, familie, witte tafellakens, zilveren bekers wijn en kinderen die leunend aan tafel zaten. Er was geen pracht en praal. Het was een Seder van honger. Een Seder van beven. Een Seder die fluisterend werd gehouden door opgejaagde Joden, met lichamen die gebroken waren, gezichten ingevallen waren, en wier wereld al in as veranderd was. En toch lieten zij Pesach niet verdwijnen. Zelfs daar bleef een Jood een Jood, en bleef de nacht van de uittocht van Egypte, nog altijd de nacht van de uittocht.

“Een dag als Yom HaShoah kan niet alleen een dag van verdriet zijn. Het moet ook een dag van ontzag zijn. Ontzag voor de kedusha (heiligheid) van die Joden die het niet overleefd hebben.”

Maar de nazi’s kwamen erachter. Ze grepen de oudste Jood uit hun midden en zeiden dat hij hiervoor zou “betalen”. De volgende ochtend zou iedereen worden samengebracht om zijn ophanging te zien. Zijn leven hing nu, in de meest letterlijke en angstaanjagende zin, voor hem aan een zijden draadje (Deuteronomium 28:66). De volgende ochtend sleepten zij hem de binnenplaats op, met een touw om zijn hals en zijn ledematen vastgebonden. Maar die oude Jood vroeg niet om redding, wraak of genade. Hij vroeg zelfs niet om nog één uur langer te mogen leven.

Hij zei alleen: “Ik ben een kohen. En het is Yom Tov-ochtend. Ik zal nooit meer kunnen doechenen [Jiddisch voor ‘zegenen’]. Laat mij nog één keer zegenen.” Ondanks alles wat zij hem hadden aangedaan, bleef hij ook daar nog altijd een kohen. En hij wist dat het de eerste dag van Pesach was. Ook daar bleef die dag nog altijd Yom Tov (een feestdag). En daarom wilde hij niets liever dan nog één keer zegenen. Want op dat moment was hem alles afgenomen, behalve het diepste van alles: zijn band met Hashem en met de rest van het Joodse volk. En juist dat ene wilde hij nog gebruiken. Niet om zichzelf te redden, maar om anderen te zegenen. Een man die aan de rand van de dood staat en wat houdt hem bezig? Niet zichzelf, maar zijn opdracht (Numeri 6:22-23).

De moordenaar lachte hem in zijn arrogantie en wreedheid uit en gaf hem slechts twee minuten. Twee minuten waarin een Jood, van wie de hals al door het touw was opgeëist, zich boven de angst verhief en terugkeerde naar wie hij werkelijk was. Een kohen, opgedragen met het zegenen van G-ds volk. En toen, in dat dal van dood en lijden, klonken daar nog steeds de woorden die altijd vóór de priesterlijke zegen in de synagoge worden uitgesproken:“Levarech et amo Yisrael b’ahava” Zijn volk Israël met liefde zegenen.

En daarna de eeuwige woorden:       
“Moge G-d je zegenen en je beschermen.
Moge G-d Zijn aangezicht over je laten stralen en je genadig zijn.
Moge G-d Zijn aangezicht naar je toewenden en je vrede schenken.”
(Numeri 6:24–25)

Wat kan een mens nog zeggen na zo’n moment? Op Yom HaShoah wordt veel gesproken over herinnering. Maar misschien is herinnering niet alleen iets historisch. Wij herinneren niet om door het verleden verpletterd te worden. Wij herinneren om te begrijpen wie wij zijn.

Dus wie zijn wij? Wij zijn een volk dat met het zwaard op de keel toch nog omhoog weet te kijken. Een Jood is iemand van wie waardigheid, huis, familie, naam en toekomst kunnen worden afgenomen, en die toch in zijn laatste ogenblik niet vraagt: “Hoe red ik mijzelf?”, maar “Hoe kan ik nog steeds de Ratzon Hashem (wil van G-d) vervullen?” Een Jood is iemand die midden in de vloek toch nog de zegen draagt.

“De les van deze dag is de doden te gedenken door het levende geloof na te volgen waarmee mensen zoals die oudere kohen zijn gestorven.”

De Joodse geleerden zeggen: “Zelfs als een scherp zwaard op iemands hals rust, mag hij zich niet weerhouden om hemelse barmhartigheid te zoeken.” Gewoonlijk begrijpen wij dit als een verbod op wanhoop. En dat is het zeker ook. Maar misschien betekent het hier nog iets diepers: niet alleen dat men nog steeds mag hopen, maar dat juist daar, precies daar, een Jood met G-d verbonden blijft. Zelfs daar is gebed niet zinloos. Zelfs daar is emoena (geloof) niet naïef. Zelfs daar kan Birkas Kohanim (de priesterlijke zegen) nog voortkomen uit een keel die al overschaduwd wordt door de dood.

Dat is een van de grote lessen van ons volk. Emoena is nooit alleen opgebouwd in tijden van rust en comfort. Wij hebben dit geleerd in Egypte. In ballingschap. In verdrijvingen. In getto’s en kampen. In bunkers. Onder decreten, en in de schaduw van de galg.
De grootheid van een Jood is niet dat hij pas gelooft nadat hij gered is. De grootheid is dat hij zich aan Hashem vastklemt terwijl hij nog op redding wacht.

Daarom zijn de woorden van de Hagadah zo nauwkeurig, “En de Heilige Gezegend is Hij redt ons uit hun handen.” Wij zeggen niet dat er nooit een hand tegen ons wordt opgeheven. Integendeel. In iedere generatie staan ze op. Soms is de redding snel en zichtbaar. Maar vaak is het verborgen, schijnbaar vertraagd en buiten ons begrip. Wij doen niet alsof wij G-ds wegenbegrijpen. Maar wij verkondigen, koppig en voor altijd, dat de geschiedenis niet toebehoort aan Farao, Haman, Hitler, Sinwar, Khamenei of de andere moordenaars van onze tijd. De geschiedenis behoort alleen toe aan de Ribono Shel Olam (meester van de Wereld).

En daarom kan een dag als Yom HaShoah niet alleen een dag van verdriet zijn. Het moet ook een dag van ontzag zijn. Ontzag voor de kedusha (heiligheid) van die Joden die het niet overleefd hebben. Dat is ook precies waarom wij Joden die vermoord zijn om hun Jood-zijn in het Hebreeuws “kedoshim” noemen, heiligen.
Ontzag voor de geestelijke kracht van een generatie die alle aardse reden had om in te storten, en toch bleef Shema Yisrael bleef verklaren, matzes bleef bakken, een Seder bleef houden, Kaddish bleef zeggen, alles bleef riskeren voor mitsvos, en Birkas Kohanim bleef uitspreken.

Ontzag voor een volk dat, hoewel het in de ogen van de volkeren tot stof werd gemaakt, voor G-d een volk van verbond en eeuwige roeping bleef.

Misschien is dat precies waarom dit verhaal zo overweldigend is. Omdat het in één moment de volle tegenstelling van het Joodse bestaan bevat: touw en zegen, galg en Yom Tov, Bergen-Belsen en de priesterlijke zegen. Een nazi die “twee minuten” geeft, en een heilige Jood die die twee minuten niet gebruikt om om leven te smeken, maar om het Joodse volk te zegenen.

Als dat zo is, dan is de boodschap van Yom HaShoah niet alleen, “herinner wat ons is aangedaan.” Maar ook, herinner wie wij daar waren. Herinner wat geen vijand kon uitrukken. Herinner dat zelfs toen het lichaam overweldigd werd, de Joodse ziel niet werd overwonnen. Herinner dat een Jood vernederd, gebroken en beroofd kan worden, maar dat als hij nog steeds zegt “Zijn volk Israël met liefde [te] zegenen,” de vijand in diepste zin gefaald heeft. En dat brengt ons terug naar het heden.

Wij leven, ook in Nederland, opnieuw in een generatie die angst kent. Joods bloed is opnieuw, keer op keer, vergoten en schijnbaar niets waard voor veel niet-Joden. En de volkeren van de wereld “moraliseren” opnieuw terwijl Joden hun doden begraven. Op zo’n Yom HaShoah is de les niet wanhoop, en ook niet nostalgie. Maar bemoediging.

Wij mogen niet toelaten dat de druk van deze tijd ons kleiner maakt. Integendeel. Als men in Bergen-Belsen een Seder hield, dan kunnen wij ons des te sterker aan de Thora vastklampen. Als een kohen daar nog kon zegenen met een touw om zijn hals, dan kunnen wij zeker met meer concentratie bidden. Als zij gelovig konden blijven terwijl de wereld doordrenkt was met Joods bloed, dan mogen wij ons vertrouwen niet opgeven vanwege krantenkoppen, sirenes, of de grillige stemmingen van naties en boze arrogante studenten.

De les van deze dag is de doden te gedenken door het levende geloof na te volgen waarmee mensen zoals die oudere kohen zijn gestorven. Onze kracht heeft altijd gelegen in onze nabijheid tot G-d, in gebed, in het verbond van Avraham, en in ongebroken trouw aan de Schepper.

Misschien is dat ook de diepste betekenis van die levenslange reactie van de overlevende. Wanneer Birkas Kohanim weer in de synagoge klonk, kon hij daar niet zomaar blijven staan alsof het iets gewoons was. Voor hem was het nooit meer gewoon. Iedere priesterlijke zegen weerklonk voor hem als de zegen van die ten dode opgeschreven kohen dat hij nooit meer wilde vergeten.

Op deze Yom HaShoah moge de herinnering aan de kedoshim voor ons niet alleen verdriet blijven, maar ook een eis worden. Een eis om waardiger erfgenamen van hun emoena (geloof) te worden, een eis om te blijven geloven wanneer de wereld donker wordt, een eis om nooit ons vertrouwen in G-d te verliezen.

En moge de Schepper van Hemel en Aarde, Die de luide roep van die kohen in Bergen-Belsen heeft gehoord en Die Zijn volk door iedere vuuroven van de geschiedenis heeft gedragen, uiteindelijk voor ons de zegen vervullen die die Jood met zijn laatste kracht heeft uitgesproken:

Yevarechecha Hashem v’yishmerecha. Ya’er Hashem Panav eilecha vichunecha.
V’Yisa Hashem Panav eilecha vayasem lecha shalom. (Numeri 6:24-25)

Mogen wij spoedig de uiteindelijke troost meemaken, zoals wij driemaal per dag in ons gebed vragen: vetechazenoe eineinoe b’shoevcha l’Tzion, moge onze ogen Uw terugkeer naar Zion aanschouwen.

Bekijk ook deze interessante explainer!

Yoel Shukkmann

De auteur

Yoel Schukkmann

Yoel Schukkmann groeide op in Nederland en maakt deel uit van een chassidische gemeenschap, een stroming binnen het ultra-orthodoxe Jodendom. In zijn tienerjaren verhuisde hij naar Israël om in...

Doneren
Abonneren
Agenda