Zoals de meeste mensen tegenwoordig waarschijnlijk wel weten, is de wereld de afgelopen weken weer in de greep van het WK. Stadions daveren. Vlaggen wapperen. Mensen die anders nauwelijks tijd hebben om stil te staan bij het leven, houden opeens negentig minuten lang hun adem in. Een voet raakt leer, de bal vliegt door de lucht, en miljoenen mensen schreeuwen alsof de geschiedenis zelf zojuist van richting is veranderd. Ergens krijgt een kind een nieuwe held. Ergens anders zit een volwassen man, die nog nooit zelfs maar een traan gelaten heeft om zijn eigen ziel, met tranen in zijn ogen omdat zijn team verloren heeft.
De Joodse geleerden vragen in de Mishna, “Wie is wijs?” En zij antwoorden: “Hij die van ieder mens leert.” En zo valt ook van de voetballer met zijn bal veel te leren.
Andere cultuur
In onze gemeenschappen voeden wij onze kinderen niet op met sport als cultuur. Wij maken geen helden van sporters. Wij leren onze kinderen niet dat de grootste menselijke prestatie is om sneller te rennen, harder te schoppen, hoger te springen, of toegejuicht te worden door een stadion vol mensen.
In veel delen van de bredere “ultra-orthodoxe” Joodse wereld spelen jongens soms wel bepaalde sporten. In bein hazmanim, tijdens de vakanties, zullen kinderen soms rennen, een bal trappen, lachen, zweten en hun energie kwijt kunnen. Een kind heeft uiteindelijk lucht nodig, en een gezond lichaam is ook een geschenk van G-d.
Maar dat is iets heel anders dan een sportcultuur. Vooral in de chassidische wereld groeien kinderen meestal niet op met sporten als voetbal of basketbal als deel van hun opvoeding. Een kind mag rennen, spelen, lachen en zijn energie kwijt kunnen, zeker in de vakanties. Maar sport als cultuur, met de verering van kracht, roem, winnen en beroemde spelers, past niet voor een chassidish kind uit een Thora-huis.
Daarom wordt sportfanatisme en het kijken naar wedstrijden in de chareidishe (ultra-orthodoxe) wereld meestal negatief gezien. Soms vraagt men mij: “Is het echt verboden, of is het eigenlijk wel toegestaan?” Maar vaak is dat niet eens de hoofdvraag. Naar mijn mening begrijpt een verfijnd Joods hart dat sommige dingen simpelweg niet onze sfeer zijn. Het kan tijdverspilling zijn. Het kan vreemde cultuur binnenbrengen. Het kan een mens te veel naar buiten trekken: naar het lichaam, naar de opwinding van de buitenwereld, naar uiterlijk vertoon en alles wat glanst maar vanbinnen leeg blijft.
Een kind dat tegen een bal trapt is één ding. Maar een generatie die voor een bal buigt, is iets heel anders. En toch, wanneer het WK komt en de wereld eromheen begint te trillen, moeten wij kijken en nadenken wat wij hiervan kunnen leren.
Volkeren maken plannen. Presidenten spreken. Deskundigen vertellen ons wat er zal gebeuren. En dan rolt de Eeuwige de bal een andere kant op.
Wat
is een bal?
Als miljoenen mensen negentig minuten lang hun volle aandacht aan een bal kunnen geven, kan ik dan geen tien of vijftien minuten echte aandacht geven aan mijn gebed?
Les
van het WK
De wereld leert haar kinderen dromen van stadions. Wij leren onze kinderen
verlangen om Thora-geleerden te worden, G-dvrezend, mensen die Hashem dienen in
hun leren, in hun gebed, in hun karaktereigenschappen en in alles wat zij
doen. En toch mag een kind rennen en in de vakantie tegen een bal trappen. Hij
mag lachen, vallen, opstaan en weer verder rennen. Het probleem begint wanneer
de bal het middelpunt wordt. Wanneer een spel een identiteit wordt; en wanneer
het lichaam wordt verheerlijkt, zoals bij de oude Grieken, alsof juist daarin
de grootheid van de mens ligt.