Sluiten

Zoeken.

Artikelen

Activiteiten

Kennisbank

Podcasts

Projecten

Publicaties

Videos

Overig

Joodse wereld

Terug naar overzicht

Waarom kregen wij het Land Israël?

Door Rabbijn mr.drs. R. Evers - 

14 augustus 2026

F250303OC024

Luchtfoto van Galilea. | Foto: Flash90

Wanneer wij in de synagoge het boek Deuteronomium lezen, bevinden wij ons als het ware samen met Mozes in de steppen van Moab. Voor ons ligt de Jordaan. Aan de overzijde wacht het Beloofde Land. Mozes zal het land zelf niet binnengaan, maar hij grijpt zijn laatste kans aan om het Joodse volk een fundamentele les mee te geven: waarom krijgen wij eigenlijk het Land Israël?

Het antwoord van de Thora is verrassend. Niet omdat wij beter zijn dan anderen. Niet omdat wij volmaakt of rechtvaardig zijn. Integendeel. Aan de vooravond van de intocht waarschuwt Mozes het volk nadrukkelijk: "Zeg niet in uw hart: vanwege mijn rechtvaardigheid heeft G’d mij dit land gegeven."

Sterker nog, Mozes herinnert het volk juist aan de donkere bladzijden uit zijn geschiedenis. Hij noemt het gouden kalf, de opstanden in de woestijn, de klaagpartijen en de weigering om na het verslag van de verspieders het land binnen te trekken. Het lijkt bijna vreemd dat een leider vlak voor een historisch hoogtepunt juist alle mislukkingen van zijn volk naar voren haalt. Maar Mozes heeft een diepere bedoeling.

Wanneer het Land Israël uitsluitend een beloning zou zijn voor goed gedrag, dan zou het ook weer kunnen worden afgenomen zodra het volk zondigt. Dan zou het bezit van het land volledig afhangen van menselijke prestaties.

Juist daarom maakt Mozes duidelijk dat de grondslag van Israëls recht op het land niet ligt in menselijke verdiensten.

Dat betekent overigens niet dat ons gedrag onbelangrijk is. Integendeel. De Thora leert dat gehoorzaamheid aan G'ds geboden bepaalt of wij in vrede, voorspoed en veiligheid in het land mogen wonen. Maar het eigendomsrecht zelf heeft een andere oorsprong. Mozes noemt daarvoor twee fundamentele redenen.

Recht verspeeld

De eerste reden is dat de zeven Kanaänitische volken het land geestelijk volledig hadden verdorven. Hun samenleving werd gekenmerkt door afgoderij, seksuele losbandigheid, kinderoffers en moreel verval. De Thora beschrijft dat hun zonden de maat vol maakten. Daarom werden zij uit het land verdreven.

Het Joodse volk kreeg het land dus niet omdat het zelf volmaakt was, maar omdat de vorige bewoners hun recht om er te wonen hadden verspeeld.

“Juist omdat het Joodse volk niet volmaakt is, kan niemand later beweren dat het land ooit op grond van menselijke verdiensten werd verkregen.”

Tegenwoordig begrijpen wij nauwelijks nog hoe groot de aantrekkingskracht van afgoderij ooit was. Gouden en zilveren beelden spreken de moderne mens nauwelijks meer aan.

Volgens de Talmoed beseften onze Wijzen echter dat de verleiding in de tijd van de Eerste Tempel buitengewoon krachtig was.

In de Babylonische Talmoed (Sanhedrin 64a) wordt verteld dat de mannen van de Grote Vergadering, kort na de Babylonische ballingschap, drie dagen vastten en baden dat de buitengewone drang naar afgoderij uit de wereld zou verdwijnen. Hun gebed werd verhoord. De Talmoed beschrijft symbolisch hoe de kwade neiging tot afgoderij, als een vurige leeuw uit het Heilige der Heiligen tevoorschijn kwam en onschadelijk werd gemaakt.

De betekenis hiervan is duidelijk: vanaf dat moment verloor afgoderij haar onweerstaanbare aantrekkingskracht. Dat verklaart waarom afgoderij tegenwoordig nauwelijks nog een reële verleiding vormt, terwijl zij in de Bijbelse tijd een allesoverheersende kracht was.

Belofte

De belangrijkste reden waarom Israël het land ontvangt, ligt echter nog dieper. Mozes zegt expliciet dat G'd Zijn eed wil vervullen die Hij gezworen heeft aan Abraham, Isaac en Jakob.

Reeds bij het verbond tussen de stukken (Genesis 15) beloofde G'd aan Abraham dat zijn nakomelingen het Land Kanaän zouden erven.

Deze belofte was geen overeenkomst waarbij beide partijen gelijke verplichtingen op zich namen. Het initiatief kwam volledig van G'd. Hij verbond zichzelf aan Zijn woord.

Daarom is de belofte aan de aartsvaders de juridische en geestelijke basis van Israëls aanspraak op het land.

“Het volk kan tijdelijk uit het land worden verwijderd, maar G'd trekt Zijn belofte aan de aartsvaders niet in.”

Een hardnekkig volk

Opmerkelijk genoeg noemt Mozes het Joodse volk zelfs een "hardnekkig volk". Dat klinkt als een verwijt, maar in de context heeft het een andere functie. Juist omdat het volk niet volmaakt is, kan niemand later beweren dat het land ooit op grond van menselijke verdiensten werd verkregen.

Het bezit van het land rust uiteindelijk op G'ds trouw aan Zijn belofte.

Betekent dit dat het gedrag van Israël er niet toe doet? Zeker niet. In hetzelfde vijfde boek Mozes maakt Mozes duidelijk dat zonden kunnen leiden tot rampspoed, ballingschap en vernietiging. Dat is later ook gebeurd, zowel na de verwoesting van de Eerste als van de Tweede Tempel.

Maar ballingschap betekent volgens de Thora een straf, geen opheffing van het verbond. Het volk kan tijdelijk uit het land worden verwijderd, maar G'd trekt Zijn belofte aan de aartsvaders niet in.

Terugkeer

De profeet Ezechiël verkondigt dat G'd Israël uiteindelijk zal terugbrengen naar zijn land, niet omdat het volk dat verdiend heeft, maar om de heiliging van Zijn Naam. Pas daarna zal een geestelijke vernieuwing plaatsvinden, hetgeen we overigens nu weer meemaken.

Ook hierin zien wij dezelfde lijn als bij Mozes: eerst de vervulling van de G’ddelijke belofte, daarna de geestelijke groei van het volk.

Een blijvende opdracht

De vraag waarom wij het Land Israël kregen, krijgt in Deuteronomium 7-11 een helder antwoord.

Niet onze eigen rechtvaardigheid gaf ons het land. De vorige bewoners hadden het door hun verdorvenheid verloren, terwijl G'd tegelijkertijd Zijn eeuwenoude eed aan de aartsvaderen vervulde.

Juist daarom rust onze band met Israël niet op menselijke volmaaktheid, maar op het eeuwige verbond tussen G'd en Zijn volk.

Dat verbond geeft geen vrijbrief om achteloos te leven. Integendeel. Het verplicht ons om het land te bewonen op een wijze die past bij de heiligheid ervan: trouw aan de Thora, eerbied voor G'd en verantwoordelijkheid voor de opdracht die Hij aan Israël heeft toevertrouwd.

Rabbijn-mr.-drs.-R.-Evers_avatar-90x90 (1)

De auteur

Rabbijn mr.drs. R. Evers

Rabbijn R. Evers was opperrabbijn in Düsseldorf. Hij maakte in de zomer van 2021 met zijn vrouw alija naar Israël. 

Doneren
Abonneren
Agenda