Dagboek van de Opperrabbijn
Door Opperrabbijn Binyomin Jacobs -
4 november 2026
Ik loop al heel wat jaren mee. Toen de sjoel van Amersfoort 250 jaar bestond, was ik aanwezig en mocht ik ook als voorganger van Amersfoort het woord voeren. Ik was toen nog gewoon voorganger, want rabbijn was je pas als je benoemd was tot lid van het ressortale opperrabbinaat en dat was ik toen nog niet. Toen de sjoel van Amersfoort zijn 275-jarig bestaan vierde, mocht ik erbij zijn als een echte rabbijn en nu de sjoel van Amersfoort zijn 300-jarig bestaan gaat vieren, zal ik weer acte de présence geven, maar nu als ressortaal opperrabbijn. Maar of ik nou voorganger was, rabbijn of opperrabbijn, in feite komt het op hetzelfde neer: je bent er om de gemeenschap te dienen met alles wat noodzakelijk is.
Maar naast rabbijn was en ben ik ook lid van vele comités van aanbeveling. En nu komt de aap uit mijn bijna gefrustreerde mouw: ik ben geen lid van het Comité van Aanbeveling van mijn Amersfoortse sjoel, die 300 jaar bestaat! De reden: we willen juist dat outsiders tonen dat niet alleen de Joodse Gemeente vindt dat de sjoel gevierd moet worden, maar dat ook anderen, niet-Joden, tonen dat de Amersfoortse sjoel ook hun na aan het Amersfoortse hart ligt. En daarom zit ik ook in een groot aantal anderee comités van aanbeveling, opdat men ziet dat zelfs…
Je hoeft eigenlijk bijna niets te doen in zo’n comité van aanbeveling, behalve je naam ter beschikking stellen, je op de hoogte laten houden van het verloop van het project dat je aanbeveelt en bij bijzondere vieringen aanwezig zijn. Inmiddels, na meer dan 50 jaar mijn ambt te hebben uitgeoefend, durf ik mezelf een ervaren lid van comités van aanbeveling te noemen.
Ik vind mezelf ervaren en juist die ervaring leert mij dat er met het Amersfoortse Comité van Aanbeveling iets heel bijzonders is geschied. Nog nooit heb ik meegemaakt dat een van de leden van een comité van aanbeveling zich terugtrekt voordat het aanbevolen project voltooid is.
Uiteraard bestudeer je goed wat je aan het aanbevelen bent. Sta je erachter? Komt het overeen met je levensvisie? Zijn er wellicht addertjes onder het gras? En als je dat dan goed hebt onderzocht en je naam hebt gegeven, maar je vervolgens publiekelijk terugtrekt, dan roep je daarmee uit: lieve mensen, donateurs, jullie hebben je laten misleiden, deze club deugt niet, distantieer je ervan!
Na jarenlange steun aan de sjoel van Amersfoort, waarbij u uw naam vrijwillig aan het Comité van Aanbeveling hebt verbonden, verklaart u nu, mijnheer de directeur van het Amersfoortse Museum, dat u het 300-jarig bestaan van de sjoel van Amersfoort niet meer aanbeveelt.
“Niet-Joodse vrienden die ons niet in de steek zullen laten, voor ons opkomen en samen met ons strijden tegen onrecht. ”
Dat u als directeur van het gemeentemuseum aangeeft dat u vanwege internationale verhoudingen de toegezegde tentoonstelling niet wilt realiseren, kan ik nog enigszins plaatsen, maar dat u zo ver gaat om het behoud van de 300 jaar oude synagoge en de geschiedenis van de meer dan 300 jaar oude Joodse gemeenschap in Amersfoort met uw terugtrekking als aanbeveler dus openlijk afkeurt, is onaanvaardbaar. Schaam u als privépersoon en schaam u als museumdirecteur die als opdracht heeft om juist de historie en de diversiteit van Amersfoort te tonen! Ja, het staat u vrij tegen de regering-Netanyahu te zijn, u mag zelfs een antizionist zijn, maar 300 jaar synagoge Amersfoort…
En dus, geachte bestuurders van de Joodse Gemeente Amersfoort, mocht u een plaatsvervanger zoeken in uw Comité van Aanbeveling: ik stel me kandidaat!
In de Sidra van aanstaande sjabbat lezen we in alle synagogen ter wereld, en dus ook in de bijna 300 jaar oude synagoge van Amersfoort, dat Sara honderd en twintig en zeven jaar oud is geworden. Waarom staat er niet gewoon dat onze aartsmoeder Sara honderdzevenentwintig jaar is geworden, zonder twee keer ‘en’ ertussen? En het antwoord luidt: om te benadrukken dat ze ongeacht haar leeftijd, ondanks wisselende omstandigheden, ondanks een om haar heen veranderende samenleving, steeds dezelfde vrome gelovige Sara is gebleven. En dus moeten ook wij, leden van de Joodse Gemeente, ons gedrag en onze emoties niet laten afhangen van wat er om ons heen geschiedt. Am Jisraeel Chaj, het Joodse volk leeft en overleeft. En toch mogen we niet achteroverleunen en het allemaal op z’n beloop laten. Daarom heb ik dit dagboek gewijd aan het Comité van Aanbeveling en aan de vele vrienden die we hebben, ook in ons Nederland en zeker ook in Amersfoort. Niet-Joodse vrienden die ons niet in de steek zullen laten, voor ons opkomen en samen met ons strijden tegen onrecht. En onrecht treft niet alleen de Joodse gemeenschap, maar ook andere minderheden.
De week na sjabbat lezen we de Sidra Toledot. Toledot betekent letterlijk ‘kinderen, nazaten’. De nazaten van onze aartsvader Jitschak worden genoemd. Maar Toledot betekent niet uitsluitend fysieke kinderen. Alles wat een mens nalaat, valt onder dat begrip. Het is aan ieder van ons om iets voort te brengen en goede daden te verrichten. Zelfs het uitspreken van goede woorden valt al onder het begrip Toledot.
Maar het uittreden van onze museum-directeur is niet uitsluitend negatief. Door zijn uittreden en het beëindigen van de samenwerking van het museum met de Joodse gemeenschap van Amersfoort heeft hij ook veel goeds teweeggebracht, hopelijk niet onbewust. De Joodse gemeenschap wordt overladen met steunbetuigingen via e-mails, WhatsApp-berichten en telefoontjes. We staan dus niet alleen. Velen staan achter ons of staan om ons heen, zoals onze koning Willem-Alexander dat recentelijk zo treffend heeft verwoord.
En dus richt ik mij tot mijn Joodse Nederlandse broeders en zusters, speciaal tot hen die van de Joodse gemeenschap in Amersfoort deel uitmaken: leer van onze aartsmoeder Sara, blijf overeind, blijf sterk, laat je niet beïnvloeden door negativisme om ons heen.
En tot mijn niet-Joodse vrienden en vriendinnen: laten we elkaar vasthouden en hand in hand produceren, in woord en daad, door het bedrijven van naastenliefde en door onze kinderen een juiste opvoeding te geven, op school en vooral thuis.
En mocht u, mijn trouwe dagboekenier, zich afvragen of u in staat bent de ons omringende duisternis te verdrijven, weet dan dat er ook heel veel lichtpunten zijn waar we oog voor moeten hebben en dat zelfs een heel klein zuiver vlammetje een gigantische hoeveelheid duisternis kan verdrijven. Ieder mens heeft zo’n klein vlammetje in zich. En weet dat laat bestaat, maar te laat niet.