Een persoonlijk verslag van zaterdagochtend 28 februari toen de Verenigde Staten en Israël een preventieve aanval uitvoerden op Iran.
Vanmorgen wandelde ik door de avocado- en bananengaarden. Het was knisperend koud, zo vroeg in de ochtend, mijn favoriete moment van de dag. Een blauwe hemel, en heel zachtjes kwam het zonnetje tevoorschijn. Het was vredig stil. Ontwakende vogels. Helder weer. De grens met Libanon was duidelijk te zien. Ik dacht nog: het lijkt wel vrede. En toen ging er een alarm af op mijn mobiele telefoon. Voor het eerst sinds lange tijd.
Ik ging op de grond liggen, want dat is de instructie als je geen schuilkelder in de buurt hebt. Al snel bleek dat het een waarschuwing was voor het hele land. Israël en Amerika waren begonnen met hun aanval op Iran.
Ik was ver van ons dorp. Opeens hoorde ik niets meer: geen fluitende vogels. Zelfs de blauwe hemel leek wat grijzer geworden. Ik snelde terug.
De rest van de dag was surrealistisch. Urenlang zat ik in de schuilkamer van een dierbare vriend. Keiharde knallen, regelmatig dichtbij. We maakte grapjes en er was zelfs gelach. En af en toe irritatie, want de spanning is er, ook als we die proberen te verbloemen.
Mijn miauwende kat bij de hermetisch gesloten deur bracht ons steeds terug naar de alledaagse werkelijkheid. Ze wilde aandacht en eten, maar niet opgesloten zitten in een dichte kamer. Toch moest het. Want veiligheid gaat voor alles. Af en toe deden we de deur even open voor haar, en vervolgens snel weer dicht. Familie en vrienden appten; de telefoons stonden niet stil. En heel af en toe mochten we de schuilkamer uit. Dan maakte ik snel een klein rondje. Even in de zon lopen. Want het mag wel oorlog zijn, maar de zon trekt zich daar gelukkig niets van aan.