Met gebeden en modder de nacht in (deel 1)
Door Yoel Schukkmann -
20 januari 2026
Ik had nooit gedacht dat ik ooit een artikel als dit zou schrijven; over een wond in het hart van onze hele gemeenschap, en van alle synagogen en jeshiva’s (Joodse onderwijsinstelling) die ermee verbonden zijn.
Na dagen van zoeken, gebeden en hoop op een wonder, werd het lichaam van een zeventienjarige jeshiva-jongen die ik persoonlijk kende, afgelopen vrijdagochtend gevonden, drie dagen nadat hij in een beek nabij zijn jeshiva was meegesleurd. Zijn lichaam werd uit het water gehaald door vrijwilligers van Ichud Hatzalah, die dagenlang naar hem zochten samen met honderden ultra-orthodoxe Joden uit het hele land.
Het incident gebeurde afgelopen dinsdag, toen twee jeshiva-jongens in een beek werden meegesleurd. Op dat moment was de waterstroom bijzonder sterk na hevige regenval, en de twee werden overvallen door een plotselinge overstroming en een krachtige waterkolk. Beide jongens werden door de stroming meegesleurd. Eén van hen slaagde er, met enorme inspanning, in om uit het water te komen en op de oever te klimmen, en riep meteen om hulp. De tweede jeshiva-jongen probeerde tegen de stroming te vechten en uit het water te komen, maar hij werd voor de ogen van zijn vriend meegesleurd en verdween in de bedding van de beek.
Zoekactie
Zodra de melding binnenkwam, werden grote eenheden naar de plek gestuurd, waaronder politie, brandweer en reddingsdiensten, speciale reddingseenheden, medische teams van Magen David Adom, en zelfs een helikopter van de politie-luchtmacht. De zoekacties gingen door langs het traject van de beek, in moeilijk terrein en gevaarlijke stromingen, tegen de klok in, en gingen door terwijl de duisternis viel.
Ik ken de familie van deze jongen goed, en ik ken hem al sinds hij een klein kind was. Voor ons, en voor iedereen in onze gemeenschap, was dit incident nooit een “verhaal” of een “krantenkop”. Het was persoonlijk. Vanaf het moment dat we hoorden dat hij vermist was, begrepen we allemaal dat dit geen gewone dagen waren. Het werd een tijd van verantwoordelijkheid, van pijn, van gebed, en van mensen die opstonden om te doen wat ze maar konden.
“Dag na dag doorzochten we ravijnen en beekbeddingen, lopend door ijskoud water, elke steen omdraaiend, elke hoop volgend tot die wegsmolt.”
Ik nam deel aan de zoekactie samen met, alleen al uit onze Chassidische groepering, honderden kollel-studenten die hun leerhuizen verlieten, en honderden anderen die hun kantoren of bedrijven sloten, of niet gingen werken, om mee te zoeken naar de vermiste jongen.
Ik leidde één van de zoekgroepen. Maar elke groepsleider kreeg heel duidelijke instructies om aan zijn groep door te geven waar we precies naar zochten, en op dat moment waren er al geen illusies meer dat we hem levend zouden vinden. Daarom werd ons duidelijk gezegd om aan onze groepen door te geven: de jongen kon onder modder liggen, onder stenen, onder water, of verborgen op plekken die nog geen enkel oog had gezien. Eigenlijk overal waar de kracht van de natuur hem had kunnen meevoeren.
Dag na dag doorzochten we ravijnen en beekbeddingen, lopend door ijskoud water, elke steen omdraaiend, elke hoop volgend tot die wegsmolt. Iedereen die meedeed aan die zoekacties wist: dit was niet zomaar een zoektocht. Het was een missie van kedoesja (heiligheid). We voelden de last van een familie die wachtte, de pijn van onbeantwoorde gebeden, en de stille roep van een kostbare ziel die we nog niet konden bereiken, wachtend op kevoerat Jisrael, een Joodse begrafenis.
Op de laatste dag was ik aan het zoeken van half elf ’s ochtends tot half vijf ’s middags, toen er instructies kwamen om de zoekactie te stoppen omdat het donker werd. Vanaf dat moment zouden ze ’s nachts doorgaan met drones.
Toen ik die dag klaar was, ging ik naar de jeshiva van deze jongen. Ik liep naar binnen en zag iets wat ik nooit zal vergeten. Er was een enorme, wat wij noemen, hisorerus: een krachtige ontwaking van het hart die je niet kunt maken of afdwingen. Geen hysterie. Geen paniek. Een diepe innerlijke schok die een mens terugbrengt naar wat echt belangrijk is. Jeshiva-jongens die baden. Psalmen zeiden. Thora leerden. En riepen tot Hasjem op de manier dat alleen een pure ziel dat kan: met Thora, met gebed, met eenheid en liefdevolle acceptatie.
Ik kwam rond 20:00 uur thuis in Jeruzalem. En het leven ging door… want het leven gaat altijd door, zelfs wanneer je hart er nog niet klaar voor is. Ik omhelsde mijn kinderen stevig, en trok mijn door modder doordrenkte schoenen en kleren uit terwijl mijn vrouw mij een koffie maakte, de eerste koffie van de hele dag. En daarna moest ik boodschappen gaan doen, naar de supermarkt, want het was donderdagavond. Ik moest doen wat elke religieuze Jood elke week op dat moment doet: een huis voorbereiden voor Sjabbat, zelfs wanneer je vanbinnen nog steeds kliffen aan het beklimmen bent, of tot aan je enkels in de modder en het water staat, met de angst om een vermiste jeshiva-jongen.
“Maar terwijl ik daar stond, besefte ik één waarheid die zeker bleef: een Joodse ziel gaat niet verloren.”
En toen kwam vrijdagochtend, Erev Sjabbat, zelf, toen het nieuws kwam. De ontdekking van zijn lichaam, net voor 10:00 uur, na eindeloze dagen zoeken, niet ver van waar hij was meegesleurd. Een collectieve zucht ging door ons heen, een kreet die meer een breuk in het hart was dan woorden. Ze haalden hem voorzichtig omhoog, met het grootste respect, en degenen die erbij waren, stonden vol ontzag en verdriet bij het zien van deze kostbare jongen, een masmid (iemand die altijd serieus leerde) en die Hasjems Thora liefhad, veel te vroeg van ons weggenomen.
Begrafenis
De begrafenis op vrijdagmiddag is niet te beschrijven. Bijna duizend mensen waren aanwezig, opeengepakt binnen en buiten het rouwcentrum. Vrienden, familie, kennissen, en zelfs totale vreemden kwamen om hun respect te betuigen en deze jonge man te begeleiden op zijn laatste reis. Tranen stroomden als rivieren, schouders trilden in gedeeld verdriet, en stemmen van degenen die de lofredes uitspraken, en uit het vrouwen-gedeelte, trilden met klanken die de pijn nauwelijks konden benoemen.
Naast mij stond een jeshiva-jongen te beven en oncontroleerbaar te huilen, getroffen door de ondraaglijke waarheid dat zijn vriend nooit meer hun studiezaal zou binnenlopen. Aan mijn andere kant stond een elfjarige jongen te huilen om zijn oudere neef. En ook mijn eigen ogen bleven niet droog. Dit is een tragedie die ons allemaal heeft geschokt. Maar terwijl ik daar stond, besefte ik één waarheid die zeker bleef: een Jiddishe neshama - een Joodse ziel - gaat niet verloren. Een jongen die leefde als een echte “ben Thora”, als iemand die leeft volgens de wegen van de Thora, verdwijnt niet. Hij stijgt op. En hij laat iets achter in deze wereld. En toen sprak de grootvader van de jongen zijn eulogie uit, en gaf vorm aan de rouwende menigte.
De grootvader vertelde dat er een paar jaar geleden een geval was waarin een jonge vrouw overleed aan een ernstige ziekte, en dat hun Rebbe toen zei: “men darf trachten…” (men moet nadenken). Niet om uit te leggen, niet om te rechtvaardigen, niet om Hasjems wegen “op te lossen”, maar om stil te staan, te reflecteren, en het moment tot de ziel te laten spreken.
En de grootvader voegde eraan toe: “Dit was een shvere din” een hard oordeel “maar het kwam ook met rachamim” (barmhartigheid). Het kwam met barmhartigheid in de geestelijke ontwaking die het wakker maakte, in de achdoet (eenheid) die het voortbracht, in de manier waarop hele Joodse gemeenschappen als één lichaam bewoog: zoekend, biddend, Psalmen zeggend, Thora lerend, huilend, elkaar steunend. En zijn kleinzoon had de verdienste om met respect tot eeuwige rust gebracht te worden, voordat het heilige licht van de Sjabbat neerdaalde.
In de eulogie van de vader sprak de vader over de voorbereidingen voor de komende bruiloft van zijn oudere dochter: “De laatste woorden aan de telefoon waren: ‘Binnenkort zullen we op de bruiloft dansen, en het zal een simcha (vreugde) zijn; en jij zult helpen om het te organiseren.” Hij vertelde ook dat zijn zoon al vroeg, tijdens Chanoeka, nieuwe kleren had gekocht voor de bruiloft zodat het zijn jeshiva-leren niet zou verstoren: een pak, een hoed, nieuwe schoenen, alles lag al klaar in de kast.
Later riep de vader uit: “Maar men mag, G-d verhoede, geen vragen stellen aan de Ribono Sjel Olam (Meester van het Universum). Wat Hij ook doet is rechtvaardig! Zo moest het zijn.” Geen vragen, alleen emoena (geloof). Geen klachten, alleen aanvaarding. En hij vroeg maar één ding: “Om te bidden voor de familie, en voor zijn vrienden, dat zij de kracht zullen hebben om dit te doorstaan.”
Dit is deel 1. Morgen verschijnt deel 2 over een bijzondere Sjabbat die volgde.