Sluiten

Zoeken.

Israël en de kerk

Terug naar overzicht

De betekenis en context van Hebreeuwse woorden

Door Dr. Piet van Midden - 

28 september 2023

2021 CVI website (69)

Dit artikel uit onze publicatie Israël en de Kerk gaat over woorden, of anders gezegd, over betekenis en context. Woorden kunnen in verschillende contexten verschillende betekenissen hebben. Het is goed om daar af en toe de vinger bij te leggen. Wat doet een vertaling met woorden? In een andere taal kunnen andere connotaties meespelen, waardoor het woord een andere kleur krijgt. Ook een dogmatische bril heeft grote invloed op hoe we de teksten lezen. In dit artikel worden een paar voorbeelden daarvan besproken.

Dit artikel komt uit ons theologische kwartaalblad Israël en de kerk, een speciale (gratis) uitgave voor theologen en voorgangers. Geïnteresseerd? Klik hier voor meer informatie/abonneren!

Gerechtigheid

Als je in Jeruzalem een supermarkt bezoekt, staat er bij de kassa dikwijls een potje waarop in Hebreeuwse letters tsedaqa staat geschreven. Dat betekent ‘gerechtigheid’. Het is een spaarpotje waarin je je teruggekregen muntgeld kunt doen. Dat is voor de armen. Is dat dan geen liefdadigheid? Mensen hebben toch geen recht op dat spaarpotje? Dat valt nog te bezien.

We zijn in het Nieuwe Testament dan wel in het Romeinse Rijk maar ook in de Joodse wereld. Daarin gaat het over het doen van de geboden. Daarbij denken Nederlanders al gauw aan het Wetboek van Strafrecht, waarvan artikel 461 in elk geval de bekendste is, al zoeken we dat artikel ook nooit op. Maar het gaat om een heel ander soort geboden.

Een voorbeeld: het is een mitswe, een gebod dus, om je ouders eervol te begraven. Iedereen begrijpt dat zoiets meer een liefdedaad is dan een gebod. Jezus zegt: ‘Let op dat jullie je gerechtigheid niet tentoonspreiden om door de mensen gezien te worden’ (Mat. 6). ‘Je gerechtigheid niet tentoonspreiden?’ Wat moet je je daarbij voorstellen? Dat gaat over giften voor de armen. Daar kun je een toneelstukje bij opvoeren. Maar Jezus leert ons dat je linkerhand niet moet weten wat je rechter doet. Het maakt heel duidelijk dat je heel voorzichtig moet zijn om begrippen uit de Hebreeuwse Bijbel zomaar een nieuw leven te geven als gebod in de Romeinse wereld.

Ieder het zijne / hare

Een ander voorbeeld, maar wel in dezelfde sfeer. Op het oude Raadhuis in Westzaan, een dorpje boven Amsterdam, staat in het Latijn de tekst: ‘Men streeft er hier ten zeerste naar aan ieder het zijne te geven.’ Dat is precies wat Romeinen ‘gerechtigheid’ noemen. Maar in de Bijbel is gerechtigheid wat anders. Allereerst zegt het, in de lijn van Israëls geloof, iets over ons menselijk gedrag. Abram vertrouwt op God, die hem een kind heeft beloofd. Als hij naar de talloze sterren kijkt, zegt God: ‘Zo zal het ook zijn met jouw nakomelingen.’ De tekst heeft dan een moeilijk slot: ‘Abram vertrouwde op de HEER en hij rekende hem dit toe als gerechtigheid.’

Wie doet nu wat? Je moet niet meteen hoofdletters schrijven. Dan doe je meer dan de tekst toelaat. In de Hebreeuwse tekst lijkt het mij het meest voor de hand liggend om te vertalen: het is Abram die op God vertrouwt en die wat God hem belooft als een weldaad, een ‘rechtvaardigheid’ ziet. Rechtvaardigheid een weldaad? Jazeker! Als Samuël het over Gods rechtvaardige daden heeft (1 Sam. 12:7), dan bedoelt hij de goede dingen, de weldaden, die God aan zijn volk heeft bewezen. Als de psalmisten God rechtvaardig noemen, heeft dat dus niets te maken met zoiets als juridische correctheid. In de Griekse vertaling van het Oude Testament wordt een lijdende vorm gebruikt: ‘het werd hem tot rechtvaardigheid gerekend.’ Die tekst nemen de nieuwtestamentische schrijvers over (Rom. 4:3; Gal. 3:6; Jac. 2:23).

Geloven

Er is nog een uitdaging in de tekst: het woord ‘geloven’. Abram geloofde in de HEER. Wat bedoel je daarmee? We hebben theologisch gezien wel werk gemaakt van geloof in God. De Nederlandse Geloofsbelijdenis begint er kort en goed gezegd mee: ‘Er is een enig God. Een geestelijk wezen. Dat niet te doorgronden is. Het kan niet gezien worden maar het is een overvloedige fontein van alle goeds.’ Dat is een kerkelijk uitgangspunt en na een aantal aannames kan dan verder worden gepraat. Al dan niet op een heilzame manier. Maar in de Hebreeuwse Bijbel kun je uitgaan van een woord dat we allemaal kennen: Amen. Dat betekent: ‘het is betrouwbaar.’ Dat is de grondbetekenis van het woord. Als je daar een werkwoord van maakt, betekent het ‘zich als betrouwbaar bewijzen’.

Als Mozes bij de brandende braamstruik de opdracht krijgt naar de farao te gaan en dat aan de Israëlieten te vertellen, sputtert hij tegen: ‘Maar als ze mij niet geloven?’ Dus: ‘Als ze zeggen dat ik lieg…’ Geloven heeft dus met vertrouwen en betrouwbaarheid te maken. Als er staat dat Abram in God geloofde, betekent dat dus niet dat hij aanneemt dat er een god is. Daar heb je niet zoveel aan. De volken geloven ook dat er een god bestaat, of op zijn minst dat ‘er iets is’. Maar kun je daarop vertrouwen?

En het Nieuwe Testament dan?

In het Nieuwe Testament is dat niet anders. Het woord Amen vind je daar in het Grieks vertaald en nu lezen we woorden als pistis, ‘geloofwaardigheid’ maar vooral ook ‘trouw’. Dat is een nieuw element: het vertrouwen krijgen. Pistis wordt zelfs gebruikt om een financiële  verklaring, een onderpand, aan te duiden. Als je de beroemde verzen uit 1 Korintiërs 13:13 leest, over geloof, hoop en liefde, moet je dat element ‘trouw’ wel meenemen. Geloof is daar vertrouwen op God. Dat maakt het allemaal wat scherper. Geloof is bij ons al gauw een overtuiging, waarover je prettig kunt praten. Maar vertrouwen vraag inzet van jezelf: hoe is God betrouwbaar en hoe betrouwbaar ben je zelf.

Verbond

We hebben nog een woord, een begrip, te bespreken: verbond. Daar is eigenlijk maar één Hebreeuws woord voor: beriet. En de Griekse vertaling ervan. Dat komt straks aan de orde. Het woord beriet komt bijna driehonderd keer in het Oude Testament voor. Dat geeft al aan dat het om een belangrijk woord gaat. Een verbond is een verbintenis. Je spreekt samen iets af en daaraan dient men zich te houden. De schikking tussen Abraham en Abimelech in Genesis 21 is daarvan een mooi voorbeeld. Of het verbond tussen Laban en Jacob (Gen. 31). Toch ligt e.e.a. ingewikkelder. Allereerst dit: het woord beriet vind je voor het eerst in Genesis 6, en vooral in hoofdstuk 9: daar sluit God een plechtig verbond met Noach. Het wordt dan ook het ‘Noachitisch verbond’ genoemd. God spreekt met Noach en de zijnen in een verbond af hoe te leven. Het gaat om zeven geboden die gelden voor alle mensen:

  1. Geen valse goden aanbidden.
  2. Gods naam niet ijdel gebruiken.
  3. Niet moorden.
  4. Geen seksueel wangedrag.
  5. Niet stelen.
  6. Geen delen van een levend dier eten.
  7. Oprichting van Noachitische rechtbanken

Naast deze voor de wereld geldende afspraken is het verbond met Abram en Sara. We zijn dan in Genesis 15. God belooft Abram een land en een kind, een zoon. Het is niet zomaar een afspraakje. De HEER luistert naar de klacht van Abram: hem is meer beloofd dan waargemaakt. Dan volgt een hoogst indringende rite die de afspraak tussen de HEER en Abram bevestigt. Er komen, een koe, een geit en een ram aan te pas, alle drie jaar oud. En twee duiven. De dieren worden geslacht en in tweeën gedeeld. De stukken liggen tegenover elkaar. Het is naast een angstaanjagende ook een bekende rite: koningen die ooit met elkaar een verbond sloten, markeerden met dode offerdieren een weg, waarop beide koningen tussen de stukken vlees door liepen. Daarmee namen ze beiden de afspraken van dit verbond voor hun rekening.

Maar het bijzondere in Genesis 15 is, dat alleen de HEER tussen de kadavers door gaat. Het verbond komt van één kant. Het zijn geen gelijkwaardige partijen. Ondanks de afval van Israël blijft de afspraak overeind. Dat zal in de geschiedenis blijken. De inhoud van het verbond is de belofte dat de HEER verder gaat met Abrams nakomelingen, in het land dat Hij aan Abram en Sara en de hunnen geven zal. Dat verbond ziet niet op Eliëzer, Abrams huisknecht die hij heeft geadopteerd, of op Ismaël, zijn zoon uit z’n slavin Hagar, maar op Isaak. Isaak is de inzet van dat verbond. De inzet van het verbond is de garantie van Israëls voortbestaan. Als Hij Israël hoort jammeren, denkt God aan zijn verbond met Abraham. Elke keer weer klopt dat bij Hem aan.

Na de ontmoeting en de wetgeving op de Sinaï,  Exodus 34, klinkt het veelvuldig géén verbond te sluiten met de bewoners van het land Kanaän, maar het verbond van de HEER te eerbiedigen. Als teken van het verbond wordt de ark gemaakt, de kist-troon voor God, het mobiele heilige meubelstuk dat de naam meekrijgt ‘Ark van het verbond.’ Die ark herinnert er elke keer weer aan dat God op aarde woont en onze nabijheid zoekt (terwijl wij graag via de toren van Babel de hemel opzoeken). Vaak wordt gesproken over ‘Sinaïtisch verbond’, maar het is geen losstaand verbond. Het is een voortgang vanaf het verbond met Abraham en Sara. Je zou het voortschrijdende openbaring kunnen noemen. En het loopt door via de profeten die spreken van een nieuw verbond (zoals bijvoorbeeld Jeremia 31: 31-34).

Via de lijn van het Nieuwe Verbond gaan de wegen van Joden en christenen uiteen. Israël kan terugvallen op het verbond dat ooit met Abraham en Sara is gesloten. Dat verbond kan niet ter discussie staan. De christenen kunnen met Lucas (h. 22:20) spreken van een nieuw verbond, maar daarmee is het oude verbond niet afgeschaft. Hoe zou je dat kunnen zeggen? Christus heft het verbond met Abraham niet op. Het woord ‘verbond’ komt in de Evangeliën alleen voor in de Avondmaalstekst waarin over het ‘nieuwe verbond in Jezus’ bloed’ wordt gesproken. En eenmaal in de mond van Zacharias, als hij zingt over het oude verbond! Dat nooit verouderen kan. Het is geen verband voor het leven, maar een verbond voor altijd.

Piet van Midden

De auteur

Dr. Piet van Midden

Dr. Piet van Midden is universitair docent Hebreeuws in Tilburg, predikant in de PKN en voorzitter van het OJEC.


Doneren
Abonneren
Agenda