Stel je voor: je raakt gewond bij een verkeersongeluk. De hulpdiensten komen maar je weigert hun hulp. Je wacht liever op iemand anders. Waarom? Omdat de hulpverlener die je wil behandelen een orthodoxe Jood is.
Dat is wat Hatzalah-vrijwilliger Booky Kaluszyner onlangs beschreef na een ongeluk in Toms River, New Jersey. Kaluszyner werd opgeroepen voor een botsing tussen twee auto's. Geen van beide bestuurders was Joods. Toen hij een van de gewonden wilde helpen, beet de man hem onmiddellijk toe: “Breng de echte 911! Ik wil niet dat ‘jullie soort’ mij aanraken.” Kaluszyner respecteerde zijn weigering en vroeg de plaatselijke hulpdiensten om te komen. Enkele minuten later verschenen twee hulpverleners van de officiële 911 nooddienst. Ook zij boden hun hulp aan. Maar helaas voor de patiënt waren ook zij orthodoxe Joden en wees hij hen eveneens af.
Uiteindelijk werd de man door andere hulpverleners onderzocht, die vervolgens paramedici opriepen. En wie kwamen er opdagen? Twee chassidische Joden, compleet met baarden en peiyos. Volgens Kaluszyner kreeg het verhaal in het ziekenhuis nog een staartje. Ook de verpleegkundige die de man verzorgde, bleek een orthodoxe Jood te zijn. Je kunt je zijn gezichtsuitdrukking bijna voorstellen. Waar hij ook keek, stond er weer een orthodoxe Jood klaar om hem te helpen.
Er zit overduidelijk iets komisch in deze hele gang van zaken. Maar tegelijkertijd is het ook wat verontrustend. Zouden zijn verwondingen minder pijn hebben gedaan als de hulpverlener geen keppel, baard en peiyos had? De Joodse geleerden zeggen hierover dat haat iemand ertoe kan brengen zich anders te gedragen dan hij normaal zou doen. De midrash (samenstelling van Joodse overleveringen) vertelt over Bilaam, wiens haat tegen het Joodse volk zo groot was dat hij zelf zijn ezel zadelde, in plaats van op zijn knechten te wachten. In New Jersey ging die haat nog een stap verder met een gewonde man die juist de hulp weigerde die hij zo hard nodig had.
Ergens anders brengt de midrash dat Rabbi Yehoshua ben Levi zegt: “Als de volkeren hadden beseft hoeveel zij zelf aan de Heilige Tempel te danken hadden, zouden ze er bewakers omheen hebben gezet om het te beschermen.” De Talmoed legt uit dat de zeventig stieren die op Soekot (Loofhuttenfeest) werden geofferd, overeenkwamen met de zeventig volkeren van de wereld, voor wie deze offers tot verzoening dienden. Rabbi Yochanan beklaagt daarom: “Wee de volkeren die iets verloren hebben zonder zelfs maar te beseffen wat ze zijn kwijtgeraakt!” De Romeinen verwoestten de Tweede Tempel zonder te begrijpen wat ze daarmee zelf verloren. Hadden ze het voordeel ervan ingezien, dan hadden ze daar zelf de wacht gehouden!
“Als de volkeren hadden beseft hoeveel zij zelf aan de Heilige Tempel te danken hadden, zouden ze er bewakers omheen hebben gezet om het te beschermen.”
— Rabbi Yehoshua ben Levi
En
daarmee komen we bij Nederland...
Een ter plaatse gemaakt souvenir dat je bij een Arabische winkel koopt, kan net
zo goed onder het verbod vallen als een souvenir uit een Joodse winkel.
Hetzelfde geldt voor tsitsit of tefillin die in Beitar Illit zijn gemaakt, een
van Israëls grootste ultra-orthodoxe steden, of voor seforim (religieuze
boeken) die daar zijn gedrukt. Zelfs religieuze voorwerpen voor persoonlijk
gebruik kunnen verboden zijn.
“Misschien zouden westerse regeringen, als ze werkelijk begrepen wat ze dreigen te verliezen wanneer hun Joodse burgers zich niet meer veilig genoeg voelen om te blijven, zelf als eersten klaarstaan om hun Joodse gemeenschappen te beschermen.”