Sluiten

Zoeken.

Artikelen

Activiteiten

Kennisbank

Podcasts

Projecten

Publicaties

Videos

Overig

Juristen zetten vraagtekens bij neutraliteit van Nederland in genocidezaak tegen Israël

Door Redactie cvi.nl - 

16 april 2026

UN71025609_FVBF200224-0001_

Het Internationaal Gerechtshof in Den Haag. | Foto: UN Photo/Frank van Beek

Op 12 maart diende Nederland een verklaring van interventie in in de genocidezaak die Zuid-Afrika bij het Internationaal Gerechtshof (ICJ) in Den Haag heeft aangespannen tegen Israël in december 2023. Zuid-Afrika beschuldigt Israël in deze zaak van het plegen van genocide op de Palestijnen.

Naar eigen zeggen kiest Nederland geen partij, maar de verklaring van interventie stelt wel onder andere dat gedwongen verplaatsing van burgers “kan neerkomen op of leiden tot een onderliggende daad van genocide”.

Afgelopen woensdag schreef jurist en directeur van The Hague Initiative for International Cooperation (Thinc.), Andrew Tucker, een brief aan de minister van Buitenlandse Zaken. In zijn brief zet Tucker vraagtekens bij de neutraliteit van de Nederlandse interventie. Volgens hem presenteert de regering de stap als “procesneutraal”, maar is die kwalificatie juridisch niet houdbaar. Hij stelt dat de Nederlandse verklaring zich richt op specifieke elementen die rechtstreeks aansluiten bij de aanklacht van Zuid-Afrika, zoals het opzettelijk aanvallen van kinderen, ontmenselijking en uithongering. Tegelijkertijd ontbreekt een verwijzing naar Hamas en wordt er niet gerefereerd aan de aanval van 7 oktober 2023. Ook de bijzondere context van stedelijke oorlogsvoering wordt buiten beschouwing gelaten in de Nederlandse verklaring.

Tucker stelt dat hierdoor de verklaring het eenzijdige narratief van Zuid-Afrika weerspiegelt en daardoor kan deze niet als neutraal worden gezien. Ook prof. mr. Geert-Jan Knoops sluit zich aan bij dit standpunt van Tucker. Hij stelt dat de verklaring een “duidelijke ondersteuning voor het standpunt van Zuid-Afrika is”.

Tucker stelt dat hierdoor de verklaring het eenzijdige narratief van Zuid-Afrika weerspiegelt en daardoor kan deze niet als neutraal worden gezien.

In het tweede deel van zijn brief gaat Tucker in op de juridische implicaties van de Nederlandse benadering. Hij benadrukt dat genocide binnen het internationaal recht een van de zwaarste kwalificaties is. Voor het vaststellen ervan is bewijs vereist van een uitzonderlijk element: de zogenoemde dolus specialis, de specifieke intentie om een bevolkingsgroep geheel of gedeeltelijk te vernietigen. Volgens Tucker heeft het ICJ benadrukt dat deze intentie overtuigend moet worden aangetoond. Juist vanwege dat zware criterium moet volgens hem grote zorgvuldigheid worden betracht bij de toepassing van het Genocideverdrag.

Tegen die achtergrond bekritiseert hij de Nederlandse inzet, die uitgaat van een zogenoemde holistische benadering. Daarbij worden afzonderlijke handelingen in samenhang beoordeeld als mogelijke aanwijzingen voor genocidaal opzet. Volgens Tucker staat deze benadering op gespannen voet met de vaste jurisprudentie van het ICJ en leidt zij er feitelijk toe dat de bewijsdrempel voor genocide wordt verlaagd. Hij waarschuwt dat een dergelijke benadering niet alleen de rechtsbescherming van de aangeklaagde staat aantast, maar ook het begrip genocide zelf kan devalueren, met mogelijke gevolgen voor toekomstige zaken. 

Tucker wijst er bovendien op dat andere interveniërende staten, zoals Fiji en Paraguay, het Hof juist hebben verzocht om strikte bewijsnormen te hanteren en ook aanwijzingen die tegen genocidale intentie pleiten mee te wegen. Volgens hem heeft Nederland dat nagelaten en zich daarmee buiten deze groep geplaatst. 

Hij roept daarom de minister op de Nederlandse interventie te heroverwegen.

Favicon CVI

De auteur

Redactie cvi.nl

Doneren
Abonneren
Agenda