Pasen

Elk voorjaar, in de dagen voor Pesach, maken Joden hun huis heel goed schoon. Ze doen dit omdat ze tijdens het Pesachfeest geen gist, of gegiste producten, in huis mogen hebben. Gist zorgt ervoor dat brood gaat rijzen. Zonder gist blijft het brood plat. Het feest duurt zeven dagen en al die tijd eten ze platte broden, waar geen gist in zit. Zulke broden noemen we matzes. Deze matzes aten de Israëlieten ook toen ze, na jarenlange slavernij, uit Egypte werden bevrijd. Dat gebeurde heel gehaast. Daarom was geen tijd om de broden te laten rijzen.

Tijdens Pesach wordt er een belangrijke maaltijd gehouden. Aan het begin van de maaltijd staan er geen borden op tafel. In plaats daarvan ligt er voor iedereen een boekje klaar. Daarin staat precies wat er die avond gaat gebeuren. Zo’n boekje heet haggada. Dat betekent ‘vertellen’. In het boekje wordt namelijk het hele verhaal van de uittocht uit Egypte verteld.

Op de tafel staat ook een schotel, met daarop een aantal gerechten. Elk gerecht vertelt iets over het zware leven in Egypte. Zo staat er een schaaltje met zout water. Als ze daarvan proeven, denken ze aan de tranen en het verdriet. Ook ligt er een lamsbotje. Als ze die zien, denken ze aan het lam waarvan het bloed op de deurposten werd gestreken.

Aan het begin van de maaltijd vraagt het jongste kind van het gezin waarom deze maaltijd anders is dan andere. Waarom ze matzes eten bijvoorbeeld. Dan vertelt de vader van het gezin het hele verhaal van de slavernij, de tien plagen en de bevrijding. De maaltijd duurt heel lang, vaak wel tot middernacht. Toch blijven alle kinderen wakker. Weet je waarom? Aan het einde van de maaltijd is een gedeelte van een matze verdwenen. Die is verstopt. Het kind dat de matze terugbrengt, krijgt een beloning!